Deze winter waren wij de gelukzoekers. Voordat de venijnige koude westenwind de intocht van koning Winter blies zakten wij af naar het zuiden. Op zoek naar zonovergoten dagen, die we voornamelijk buiten zouden spenderen, met onze poten in de modder. Op zoek ook naar een adempauze na een zwaar jaar, en naar een andere manier van leven die beter past bij wat we belangrijk vinden.

Op naar Fuerteventura!
Ontmoeting met ‘Nevermore’ de raaf
Ons eigen bubbelbad
La Palma
Ruta de los volcanes, La Palma

We vonden asiel op de Canarische eilanden, waar we als vrijwilliger aan de slag gingen bij kleinschalige bouw-, tuin- en onderhoudsprojecten. We werkten elke dag 5 uur en zagen daarna zwart van de modder, wit van het pleisterwerk of paarsrood van de cochenille, die in een verwoestende plaag over het eiland trok en alle cactussen levenloos achterliet. Nooit geweten dat het omhakken van een langzaam stervende stokoude cactus zo’n gevoel van deernis kan opwekken. Nooit geweten ook dat de zonsondergang boven zee werkelijk elke dag anders is. En nooit geweten dat je met verse snijbiet uit de tuin zo’n oneindige variatie gerechten kunt koken.

Vrienden voor het leven
Vers van eigen grond!
Suikerriet kappen
La Palma is een wandelparadijs

Zo leerden we deze winter van alles bij, en namen we de tijd om de wereld weer eens in al haar pracht en glorie in de ogen te zien: wat een weelde, wat een wonderen! “Ik had het nooit geloofd als ik niet zelf geboren was”, dicht Szymborska in Allegro ma non troppo, en ze heeft gelijk. Het leven is niet te geloven.

Toen het einde van de winter plaats begon te maken voor het begin van de lente, en wij uit Nederland foto’s begonnen te ontvangen van krokussen en heel pril ontluikend groen, begon ook onze terugkeer weer in beeld te komen. Eind April zouden we terugvliegen naar Nederland, om daar volledig bijgeladen met goede moed en vol fantastische nieuwe plannen ons bootleven weer op te pakken. Maar toen trok plots dat virus door de wereld, en werd alles heen onzeker.

Het virus stond natuurlijk al langer op de voorpagina van elke krant gedrukt, maar wij lazen op dat moment geen kranten en keken slechts sporadisch het nieuws. Onze host op Fuerteventura was bovendien van het type “dat virus is een hoax, ze gebruiken het om ons onder de duim te houden”. Vandaar dat de ernst van de zaak pas relatief laat tot ons doordrong. Of misschien ging alles halverwege maart ineens zó snel dat we steeds het gevoel hadden achter de feiten aan te lopen. Toen Spanje de eerste maatregelen nam boekten wij een ticket voor de veerboot naar Gran Canaria, zodat we voor onze terugvlucht niet meer van eiland hoefden te wisselen. De dag daarna reden we met onze buurvrouw Martha mee naar Costa Calma aan de zuidkust. ’s Ochtends liepen we in een bonte stoet van weldoorvoede toeristen over het zachtgele strand richting het centrum van Morro Jable. “Exodus”, neuriede ik, alsof we met zijn allen eensgezind op zoek waren naar het beloofde land. En dat was misschien niet ver van de waarheid. De Tribulation liet ook niet lang op zich wachten, want de Guardia Civil scheurde in een terreinwagen het strand op, door de megafoon de mensenmassa manend zich onmiddellijk terug naar het hotel te begeven. Even later dook ook de lokale politie op, met Duitstalige instructies van dezelfde strekking.

Wij hielden ons vooralsnog van de domme, omdat we nu eenmaal geen hotel hadden om heen te gaan, en omdat we bij het kantoor van Naviera Armas in Morro Jable wilden informeren naar onze veer naar Gran Canaria: zou die nog wel vertrekken? Helaas wist op die vraag niemand het antwoord. Dus liepen we terug naar het strand van Costa Calma, dat inmiddels zijn naam voor het eerst in tientallen jaren haar naam weer eer aan deed. Achter de gesloten hekken van het ‘Coronada resort’ zaten groepen zonverbrande Duitsers meewarig vanuit hun zwembadstoel naar buiten te turen. De poort werd streng bewaakt: wie eenmaal binnen was werd ten strengste verboden zich weer naar buiten te begeven, totdat de tourbus van TUI hen op kwam halen om het land uitgezet te worden.

Op weg naar Morro Jable
Na de schoonveegactie van de Guardia Civil


Een kort en zalig moment hadden we het hele volmaakte strand voor onszelf. We waanden ons in een voorproefje van ‘ons nieuwe leven’, in een verlaten baai met een idioot blauwe zee en een zandstrand dat lijkt op vanille-ijs. Die illusie duurde niet lang: de Guardia Civil kwam ons toeblaffen dat ook wij ons hotelwaarts moesten begeven. “Maar wij hebben geen hotel”, probeerden we nog, geveinsd onschuldig. “Niks mee te maken”, zei oom agent, “dan moet je terug naar huis”. Gelukkig belde Martha dat haar werkdag erop zat: de hotels gingen op slot, het personeel werd ontslagen of gedwongen om vakantie te nemen. Dat wil zeggen: zeker driekwart van het eiland was van de een op de andere dag werkloos. Tijdens de terugrit zag ik de denkrimpel tussen Martha’s wenkbrauwen langzaam steeds dieper worden.

Niet alleen onze buren zaten plotseling zonder werk, ook onze host was plots beroofd van haar inkomen: de schilderlessen die ze gaf werden geschorst en de ene na de andere klant in haar airBnB annuleerde de boeking. Ook haar kinderen kwamen thuis te zitten, omdat de scholen sloten. Wij boekten dezelfde avond nog een vlucht naar Nederland, voor over twee dagen. Hier blijven leek ons geen wijs plan, en bovendien niet plezierig. We werkten nog een laatste dag met plamuur en pleisterwerk. Met een schuin oog hield ik steeds mijn mailbox in de gaten. En niet voor niets, want inderdaad werd ’s avonds onze vlucht geannuleerd. ’s Ochtends togen we toch naar het vliegveld, vastberaden om koste wat kost een vlucht naar Nederland te nemen. Inmiddels zong het al rond dat Spanje het luchtruim zou sluiten, en wat dan?

Helaas; op kleine luchthavens is het haast onmogelijk om ter plekke een last-minute vlucht te boeken. Die dag waren er talloze vluchten geannuleerd, dus echoden bij elke balie dezelfde vragen door de hal: “Is er nog een vlucht? Kan ik op de lijst? Heb’u een plekkie?” We zeurden met zijn allen het grondpersoneel aan hun kop tot ze gek van ons werden. Grondpersoneel met diezelfde frons als Martha, want bij een sluiting van het luchtruim zouden ook zij massaal werkloos worden.

Tegen vijf uur gaven we het op; we gingen terug naar ons tijdelijk huis.  Onderweg werden we aangesproken door de politie: “Ga je naar je werk? Of naar de apotheek?” “Geen van beiden”, zei Jelle, “Ik woon hier niet”. “Dan hoor je hier niet! Je mag de straat niet op!” zei de agent. “Maar meneer”, zei Jelle, “De hotels zijn dicht, dus daar kan ik niet heen. De bussen gaan niet. Mijn vlucht is geannuleerd. Ik mag de straat niet op en ook het strand niet op. Maar ik heb één probleem: Ik Besta. Wat moet ik daartegen beginnen?”. “Nou goed dan. Maar wees voorzichtig!”, en hij verborg zich weer achter zijn mondkapje.

We gingen voor de herkansing: we boekten een rechtstreekse vlucht naar Düsseldorf-Weeze, over twee dagen. Veel te duur, maar noodzakelijk. We werkten dus nóg een laatste dag met plamuur en pleisterwerk. Met een schuin oog hield ik wéér mijn mailbox in de gaten, maar deze keer gelukkig zonder gevolgen. Opgewekt gingen we op de dag van vertrek weer richting luchthaven. We sloten aan in de eindeloze rij voor de Ryanair check-in. Passagiers voor Manchester werden voorgelaten. Passagiers voor Stansted mochten vooraan in de rij komen staan. Eindelijk waren we aan de beurt en legden we onze backpacks op de band. “You’re too late”, beet de medewerker ons toe. “Check-in is tot 40 minuten voor vertrek”. Stoom kwam uit onze oren, en ik zag Jelle in zijn vuisten knijpen van ingehouden woede. Hij had wel in iets anders willen knijpen, denk ik. “Take your backpack and go, quick!”. We werden doorgelaten met bagage en al en stoven door de douane, langs de beveiliging, op sokken en met schoenen en riemen nog in de hand naar de gate. Het boarden was begonnen, maar er stond een lange rij. Een dame met een stoïcijnse blik controleerde alvast de tickets van de hele rij. “Je staat op de wachtlijst”, papegaaide ze naar zo’n beetje iedereen. Toen ik over de schouder van de steward meegluurde naar het boekingsscherm begreep ik waarom: 300 tickets verkocht op een vliegtuig met 189 stoelen. Het enige voordeel daarvan was dat we niet de enigen waren die onverrichter zake naar de vertrek hal moesten terugkeren.

100 man overboeken. Klasse, Ryanair!

Ryanair deed wat iedereen verwachtte: ze stuurden ons met een kluitje in het riet, boden geen oplossing en beloofden een digitaal formulier om ons geld terug te vragen dat tot op heden nog steeds niet is aangekomen. Niet veel later ging ook hun kantoor op de luchthaven dicht. Einde werkdag? Nee, einde werk, want iedereen werd per direct ontslagen. De groep demonstranten die even later met spandoeken voor datzelfde kantoor stond te scanderen dat ze graag naar huis wilden kreeg dus nul op het rekest.

“Hier om u te helpen”
“We willen naar huis!”

“En wat nu dan?”, zo vroegen wij ons samen met een aantal gestrande medereizigers af. De hotels waren gesloten, het vliegveld ging om 11 uur dicht, vandaag zou er geen vlucht meer gaan. We boekten nogmaals een vlucht voor morgen naar Düsseldorf, want driemaal is scheepsrecht. Deze keer zetten we onze centen in op Eurowings. Nu alleen nog een slaapplaats. We wilden niet terug naar onze host; lastig om er te komen, en ook lastig om ’s ochtends bij opening van het vliegveld weer terug te zijn. Onder onze lotgenoten deden er een aantal opties de ronde: een paar hotels in het noorden van het eiland waren nog open en een aantal appartementen redelijk in de buurt van het vliegveld waren ook nog boekbaar. Maar wij zijn op de centen, dus we hadden een ander plan: vlakbij het vliegveld hadden we een aantal leegstaande appartementen gezien. Je ziet het daar wel meer: hele complexen van vakantiewoningen die nooit in gebruik genomen zijn, al staan ze er overduidelijk al jaren. De projectontwikkelaar zal wel failliet gegaan zijn bij de vorige crisis, denken we. Hoe dan ook: zo’n appartement leek ons prima te kraken voor een nachtje, en omdat het op loopafstand van het vliegveld was zouden we de volgende morgen als eerste in de rij kunnen staan.

Twee medereizigers veerden op toen we van ons plan vertelden. “Goed plan, wij gaan mee!”. Zo liepen we even later bepakt en bezakt naar buiten, als een vierkoppige karavaan op zoek naar een onderkomen voor de nacht. “Vluchten kan niet meer, ‘k zou niet weten hoe; vluchten gaan niet meer, ‘k zou niet weten waar naartoe”, neuriede ik, en voor het eerst in mijn leven werd die beklemmende uitzichtloosheid in dat schitterende lied opeens heel reëel. Via-via kwam ons digitaal ter ore dat er opvang werd geregeld door de plaatselijke kerk en dat ook het rode kruis bezig was noodopvang te organiseren voor gestrande reizigers. Ik zag ons al in een wit tentenkamp onze dagen slijten, met een grijze deken omgeslagen en vechtend om een bordje rijst. Zouden we straks echt aangewezen zijn op de medemenselijkheid van anderen? Al wandelend hielden we het verkeer scherp in de gaten: de politie zou ons vast vertellen dat we naar binnen moesten, desnoods naar de noodopvang, die met het beperkte OV nauwelijks te bereiken was. Doordat we de hoofdweg meden liepen we verkeerd en belandden we in de taxicentrale een eindje van het vliegveld. Met de lockdown was ook deze centrale gesloten, behalve dan dat de deur wagenwijd open stond. Binnen troffen we een kleine kantine, elektra en een werkend toilet. Dat is nog eens een gouden vondst voor een groepje ontheemde vluchtelingen!

Zo creëerden we die avond ons eigen alternatiefje: we maakten een diner van broodjes kaas met een toetje van mariakaakjes en een goed glas water. Angelique en Bart strekten zich uit op de stalen bankjes die we in de kantine zetten en wij hingen onze hangmatten op aan de overkapping van de parkeerplaats. Eenmaal in mijn hangmat genesteld liet ik de situatie nog eens aan me voorbijgaan.

Van buitenbankjes naar tweepersoons’bed’

Heel langzaam begon de kermis die al de hele dag door mijn hoofd toeterde te bedaren. Ik baalde er natuurlijk van dat we geweigerd werden op onze vlucht en dat we zo belabberd werden geholpen. Ook de onzekerheid of het ons morgen wel zou lukken, en wat we zouden doen als dat niet het geval was, zorgde voor een onaangenaam gevoel van onrust ter hoogte van mijn maag. Maar tegelijk ben ik dol op avontuur en genoot ik met volle teugen van onze succesvolle ‘urban bivouac’. Een benarde situatie gaat meestal vrij snel weer voorbij, maar het verhaal dat het creëert blijft altijd bij je. Een beetje ellende vind ik daarom nooit zo erg. Bovendien: ellende? We mochten dan wel gekscherend zeggen dat we van ‘gelukszoekers’ nu echte vluchtelingen waren geworden, maar in werkelijkheid hadden we natuurlijk gewoon een thuisland om heen te gaan, de ‘juiste’ huidskleur, een paspoort dat toegang tot voorzieningen en onvoorwaardelijke financiële steun garandeert, een geldig vliegticket met annuleringsverzekering en genoeg geld op de bank om wel twintig vliegtickets te kopen. Daarbij waren we gezond en hadden we geen zorgen over oude zwakke ouders of kinderen om voor te zorgen. Mijn gedachten werden steeds opnieuw getrokken naar échte vluchtelingen, die op een of ander Grieks eiland of in een of ander Servisch bos in de kou zaten te creperen, maanden- of jarenlang, zonder perspectief, zonder veilig vaderland om naar terug te keren. En naar permanent daklozen, die iedere dag opnieuw op zoek moeten naar een beschut plekje om te slapen, en die zich genoodzaakt voelen zich te excuseren voor het feit dat ze bestaan. Ook zíj zouden te maken krijgen met de Corona-epidemie. Ik stelde me mijn gevoel van onbehagen voor, vergroot met een factor duizend.

Onze schuilplaats voor de nacht

“¡Hola!” klonk er plotseling door de nacht. Snel veegde ik de tranen uit mijn ogen en spitste mijn oren: was dat aan ons gericht? Jelle was sneller dan ik en stond al naast zijn hangmat, om de beveiliger te woord te staan die de parkeerplaats op was gereden. Ik kreeg alleen de flarden mee van het gesprek, dat erop neer kwam dat we moesten vertrekken. Alsof we het tegen elkaar hadden zeiden we op luide toon: “Binnen blijven! Niet tevoorschijn komen!”, want Bart en Angelique waren binnen, en nog niet opgemerkt door de beveiliger, die inmiddels weer naar zijn auto gelopen was. Jelle deed verslag: hier mochten we niet blijven, de beveiliger zou ons wegbrengen naar een bushalte of busstation, waar we dan de ochtend moesten afwachten. Op mijn sokken liep ik naar de agent toe, met maar half geveinsde tranen in mijn ogen. Opeens balde al het weinige Spaans dat ik me de afgelopen maanden had eigen gemaakt zich samen in een nogal pathetisch pleidooi: we willen hier alleen maar even slapen meneer, we gaan weer weg zodra het vliegveld om vijf uur open gaat, we kunnen nergens heen, we zijn bang dat we niet meer terug kunnen, alstublieft meneer, stuur ons niet weg. “Het zijn de regels”, antwoordde de beveiliger streng. “De regels, ik weet het… maar meneer, dit is een noodtoestand!” Met zijn telefoon in zijn hand zei hij dat hij de politie ging bellen. Of wilde ik het misschien zelf even uitleggen aan de agent? En hij stak mij de telefoon toe. “Echt zo’n lerarentruc”, dacht ik nog, en wendde me af, want ik voelde er weinig voor om in mijn steenkolenspaans de confrontatie met de autoriteiten aan te gaan.

Terwijl wij alvast wat stonden te frummelen aan onze hangmatten kwam de beveiliger terug. “Ik heb met de politie gebeld. Ze vinden het goed. Maar dan moeten jullie wel stipt om vijf uur hier weg zijn”. Ik kon de man wel zoenen, maar dat leek me onverstandig in de huidige omstandigheden. We beloofden plechtig om op tijd te vertrekken. Toen zijn auto uit het zicht verdwenen was liepen we de kantine in om verslag te doen aan onze nieuwe vrienden. Ze hadden onze instructies meegekregen en ook flarden van het gesprek, dat we nog een keer navertelden. Daarna kroop iedereen weer in zijn geïmproviseerde bed. Met toestemming van de politie om te blijven sliep ik toch een stuk rustiger in.

Vooraan in de rij voor de incheck
Daar komt onze kist!
En vooraan bij de gate

’s Ochtends stonden we voor dag en dauw op, pakten onze biezen en vertrokken richting vliegveld. We besproken strategieën om er zeker van te zijn dat we deze keer wél een plek hadden in het vliegtuig en spoorden landgenoten die nog op zoek waren naar een vlucht aan om de vrije stoelen op onze vlucht te boeken, zodat die niet geannuleerd zou worden wegens gebrek aan belangstelling. Urenlang stonden, zaten, lagen we vooraan in de rij te wachten tot de incheckbalie openging. Via flightradar volgden we hoe ons toestel vanuit Duitsland aan kwam vliegen. We zagen hem landen, stonden in de startblokken zodra de gate bekend werd en stonden bij het boarden opnieuw vooraan. Ik kreeg nog net het ‘welkom aan boord’ van de piloot mee. Daarna viel ik als een blok in slaap, terwijl de piloot ons veilig naar ons beloofde land vloog.

Aankomst in Düsseldorf

Aangekomen in Düsseldorf stond de laatste horde op ons te wachten: er gingen geruchten rond dat Duitsland de grenzen had gesloten voor niet-Duitsers. De douanebeambte keek op van onze paspoorten: “Ga je rechtstreeks naar huis?” “Ja meneer, natuurlijk meneer!” zeiden we braaf, al vroeg ik me wel af wat ‘thuis’ in ons geval betekende. ‘Home is where the ship is’, is ons devies, maar onze spullen en de bootsleutel lagen bij mijn ouders En nu we de hele week tussen mensenmassa’s hadden doorgebracht waren wij voor de buitenwereld een verhoogd risico. Mijn zus en zwager (beiden arts) raadden ons aan om eerst maar eens twee weken in quarantaine te gaan. Maar waar? En hoe daar te komen?

De oplossing kwam van onze lieve, fantastische vrienden. Harmi bood ons haar appartement in Amersfoort aan, dat we konden gebruiken zolang zij met haar zoon bij haar ouders ‘quarantaineerde’. En Jessica en Marijn waren zo lief om helemaal naar Düsseldorf te rijden om ons op te pikken en naar Amersfoort te brengen. Ze stonden ons al op te wachten toen wij met onze bagage de aankomsthal in liepen. Omhelzen mocht niet, maar wat waren we blij ze te zien! Zo zie je maar weer: je kunt het goed hebben met je buren, maar een waar geluk is het om echte vrienden te hebben, ookal zijn ze ver weg.

Reacties

Prachtig geschreven. Wat een bizarre situatie. Ook weer iets waar je heel je leven aan zal terug denken.

Groetjes Diego

Ja Diego, vreemd was zeker, Enfin, we zijn niet de enige in deze vreemde tijd die vreemde dingen meemaken. We komen straks weer sterker uit deze bizarre toestand en dan kijken we er met een glimlach op terug.

Dag Jelle en Anne

Wat een avontuur
Maar gelukkig zijn jullie niet voor 1 gat te vangen.
Heb met open mond de blog gelezen.
Heel veel liefs

Wat een avontuur zeg. Begrijp dat het heel spannend geweest is. Maar aan improvisatietalent (lef) hebben jullie geen gebrek. Maar dat jullie alles vastleggen.

Dank je wel pa! Van jou leerde ik altijd “problemen verdwijnen wanneer de van Luijken verschijnen.” Maar het duurt soms wel even moet ik zeggen.

Geef een reactie