Nu we minstens een maand eerder teruggekomen zijn uit Spanje en bovendien ons vertrek op losse schroeven staat, hebben we volop de tijd om allerlei projecten in Nederland op te pakken. In ons geleende appartement in Amersfoort genieten we van het enorme comfort van een eigen plek, zeggenschap over ons leefritme en vooral van de uitstekende internetverbinding, die we op Fuerteventura bijna nooit hadden. Zaken die je normaal gesproken voor lief neemt, maar die na een half jaar zwerven hun werkelijke waarde weer terug hebben gekregen. Tijd hebben we gelukkig ook nog steeds in overvloed, waardoor we ons helemaal de koning te rijk voelen.
Omdat we toch niet naar buiten mogen (quarantaine!) besluiten we onze achterstallige administratie bij te werken en vooral flink aan de slag te gaan met onze stichting-in-oprichting. Heel fijn om even grote slagen te kunnen maken, zodat er tenminste schot in zit!

Na twee weken quarantaineren in Amersfoort verkassen we naar Groningen. Anne’s ouders verwelkomen ons hartelijk, en we besluiten maar direct een epidemiologische eenheid te vormen door elkaar stevig te ‘knovvel’n’. We zijn gelukkig welkom om een tijdje te blijven, want we hebben inmiddels bericht van onze haven dat ze op last van het RIVM gesloten zijn. De redenering is dat havens een mogelijke bron van besmetting zijn, en dat er niet permanent toezicht kan zijn op de 1,5 meter afstand. Ons klinkt dat toch een beetje vreemd in de oren: in het portiek van de flat is immers ook geen permanent toezicht op de 1,5 meter afstand, en toch wordt de portiek (heel terecht) niet afgesloten. Voor ons heeft de haven precies de functie van portiek: ons drijvend huis ligt aan de steiger te wachten, maar we mogen er niet naartoe. Zo zijn we op een heel nieuwe manier weer dakloos.
Gelukkig komt het havenbestuur al snel tot inkeer en wordt de haven weer toegankelijk. Alleen het sanitair blijft voorlopig op slot. Als we in Groningen uitverteld zijn verkassen we daarom naar Delfzijl. Het is spannend om na zo’n lange tijd weer bij de Vrijstaat te gaan kijken, want ons hele hebben en houden ligt aan boord. Bovendien moest er in de haven tijdens onze afwezigheid gebaggerd worden, en werd de Vrijstaat dus versleept naar een andere box, zonder dat wij ons er tegenaan konden bemoeien. Gelukkig hielden onze lieve havenburen Tom en Hilda van de Formidable ons regelmatig op de hoogte, en weten we al dat de Vrijstaat veilig vast ligt. Maar toch: wat tref je binnen aan? Is er ergens iets gaan lekken, waardoor we met onze voeten in het water staan? Zijn al onze kledingstukken bedekt onder een dikke laag schimmel? Zijn alle vallen doorgeschavield omdat ze niet goed vast zaten?

Gelukkig blijkt het allemaal reuze mee te vallen: onze petjes zijn wat schimmelig en de kettingen van onze fietsen zijn wat roestig, maar verder ligt de Vrijstaat erbij zoals we haar achterlieten: rommelig, maar in prima staat.

Schimmelpet


We begrijpen al gauw waarom we pas veel later hadden willen terugkomen: het zogeheten ‘voorjaar’ is nog knap koud, en zeker ’s avonds is het -ondanks diverse warme kleedjes, sjaals en mutsen- geen pretje aan boord. Dus besluiten we te investeren in een dieselkachel. Geen eberspacher of webasto, want die zijn ons veel te duur. We vinden voor een veel zachter prijsje een refurbished Planarkachel, bij Noordeling in Midwolda. Hij geeft ons uitstekend advies en stuurt ons de hele inbouwset toe voor een schappelijk prijsje. Jelle is er een aantal volle dagen zoet mee: eerst een goede plek vinden, dan alles aansluiten in een onmogelijke hoek, zorgen voor goede isolatie en ventilatie en tot slot een verwarmingsbuis door het schip trekken, zonder dat het te veel nuttige ruimte inneemt. Tot ons beider grote tevredenheid lukt het allemaal, zodat we er aan het eind van de week warmpjes bij zitten. Ons mogelijke vaargebied is zojuist een stuk groter geworden: Schotland, de Lofoten, misschien zelfs Ijsland… Als je het binnen warm kunt stoken is de kou buiten stukken minder erg!

Donsjas + regenjas = topjas

Toch blijft het een beetje behelpen aan boord, want we hebben nog geen water kunnen tanken en zijn dus ernstig op waterrantsoen. Voor zoet water zijn we afhankelijk van het sanitair, en dat is nog altijd op slot. Twee aardige havenburen die de sleutel hebben (vaste liggers) fluisteren ons onafhankelijk van elkaar toe: “Psst! Als je wil douchen, laat maar weten!”. Dus sluipen we ’s avonds als het donker is met een geleende sleutel, handdoeken en al onze jerrycans en emmers naar het toiletgebouw. Gelukkig hebben we nog een voorraadje douchemuntjes over van vorig seizoen.

Hoera!

Intussen zijn er aan boord altijd nog wel andere klussen te vinden: ik sluit de brandstofmeter aan, zodat we eindelijk op het dashboard kunnen zien hoeveel diesel we nog in de tank hebben. Ook is er nog het nodige schilderwerk aan de bakskistrand en -deksel en de ankerkluis. Als ik die laatste inspecteer schrik ik me een hoedje: er staat een goede 20 cm water in. Geen wonder ook eigenlijk, want we hadden de ankerlier losgehaald voor onderhoud en nog niet teruggeplaatst. Door de 4 kleine schroefgaatjes in het dek is in al die regenachtige winterse maanden een heleboel water naar binnen gelekt. Op zich niet echt een probleem, want de ankerkluis is er natuurlijk op gebouwd om tegen water te kunnen. Toch pomp ik de boel met de handpomp gauw leeg: twee volle emmers haal ik eruit. Een rotklusje, dat bovendien niet nodig bleek, omdat we (dat was ik even vergeten) onderin de ankerkluis gewoon een afwateringsbuis zit die je kunt aftappen. Gelukkig stond de afsluiter van die buis wel dicht, anders had al dat water in het schip gestaan!

“Hoek of geen hoek, altijd een onmogelijke hoek!”

Als ik na het eten een slok van mijn koffie neem vind ik die wat vreemd smaken. Een beetje zoutig, lijkt het wel. Jelle lijkt nergens last van te hebben, want zijn kopje is al half leeg. Misschien zat er zout in mijn kopje? Maar als ik zijn koffie proef, blijft de smaak me vreemd voorkomen. “Nu je het zegt…”, zegt Jelle, “hij smaakt een beetje zout!”. Opeens begint het me te dagen. “Welk water heb jij gebruikt voor die koffie?” “Gewoon, uit die oranje emmer”. Aha! Ankerkoffie dus, extra ijzerhoudend en met echt zeezout uit de Oostzee. Alle vermoedelijke gezondheidsvoordelen ten spijt: ik vind het niet te zuipen, dus het verdwijnt door de gootsteen. Morgen gaan we water tanken!

Reacties

Geef een reactie