Het is eindelijk zo ver. Na vele maanden van klussen en voorbereiden, waarvan we begonnen te vermoeden dat ze nooit zouden eindigen, is op een dag de noodzakelijke klussenlijst veranderd in een lijstje karweitjes waar we mee bezig kunnen ‘als we daar een keer zin in hebben’. Alles bij elkaar is er het afgelopen jaar ontzettend veel gebeurd, maar behalve de nieuwe kleur die je tegemoet knalt is daar voor de toevallige bezoeker weinig van te zien. Toch zijn wij erg tevreden: we hebben een kraakhelder pas geschilderd motorruim, zodat iedere lekkage makkelijk op te sporen is. Handig als er een blik antifouling in de bakskist omvalt en door het ruim heen de bilge in lekt, weten we inmiddels. We hebben extra ruimte voorin, omdat we een luik in één van de vloerdelen maakten. Daarmee is ook de dikke roestpukkel die daar al sinds 1958 groeide verdwenen. We installeerden een nieuwe waterpomp, een zoutwaterkraan en een dieselkachel. En we vervingen de accu’s, de zonnepanelen en de laadregelaar, die we gezamenlijk ‘Carmen’ zijn gaan noemen. Wanneer iets een naam heeft krijgt het vanzelf meer aandacht en liefde, en dat is voor een zo noodzakelijk onderdeel als het elektrasysteem wel erg belangrijk. Daarom ook noemen we ons motorblok liefkozend ‘Victor’ en onze windvaansturing ‘Arie’ (zoals waarschijnlijk iedere zeiler met een Aries windvaan).
En we maakten van de Vrijstaat natuurlijk ons thuis, zodat we dagen bezig waren met het inrichten, herinrichten en nogmaals herinrichten van de toch wel beperkte ruimte. Driekwart van die ruimte gaat op aan techniek, reserveonderdelen en gereedschap. In wat er overblijft vinden we plek voor onze kleding, persoonlijke spullen en proviand. Dat dat allemaal mét ons in de Vrijstaat past vind ik nog steeds een mirakel.

Bootvlijt voor het huiselijke gevoel

Voor vertrek willen we toch graag nog een klein afscheid organiseren. Geen groot feest, want met de coronamaatregelen wordt dat te ingewikkeld. Bovendien zijn we wel een beetje uitgeorganiseerd en hebben we geen puf om iets ingewikkelds te regelen. Dus besluiten we naar Stad te varen en daar ‘open boot’ te houden op een dinsdagmiddag en -avond. Niet met al onze vrienden en bekenden (zo groot wonen we nu eenmaal niet), maar met een klein groepje familie en intimi. De meest gehoorde vraag die avond: “maar wanneer vertrekken jullie nu écht?”. Een lastige, want wanneer ben je ‘echt’ vertrokken? In feite waren we onze thuishaven in Delfzijl al uit en ook niet van plan daar nog terug te komen. Van de vaste liggers in onze haven hadden we gisteren al ‘echt’ afscheid genomen. Maar ben je ‘echt’ vertrokken als je naar Lauwersoog bent gevaren? Of naar Medemblik? Of ben je pas ‘echt’ weg als je een landsgrens over bent en niet meer terugkomt? Dat filmische moment waarop de familie aan de kade met een witte zakdoek staat te wuiven terwijl wij naar verre horizonten varen bleek eigenlijk niet te bestaan. Wij vertrekken in kleine beetjes, met kleine tochtjes die steeds langer worden, en die we van tevoren niet hebben uitgestippeld. Dat hangt immers ook van de wind af Dus: wanneer we ‘echt’ vertrekken? De wind zal het zeggen.

OOntroerend afsceidsconcert 🥰

De woensdag na onze vertrekkersborrel komt de havenmeester bij ons aankloppen. “Willen jullie door de stad heen? Vergeet het maar. De Plataanbrug is kapot”. De Plataanbrug ligt in het noorden van Stad en blokkeert dus onze route over het Reitdiep. Er schijnt een onderdeel kapot te zijn dat waarschijnlijk besteld moet worden. Goh, waar kennen we dit van? Toen we het schip kochten in Monnickendam voeren we over de staande mastroute door Friesland naar Delfzijl. Toen lag er in Leeuwarden een brug uit, met hetzelfde verhaal. Uiteindelijk duurde die reparatie zeker drie weken. Wij voeren in de tussentijd buitenom, over het wad via Harlingen. Spannend was dat, want we kenden het schip nog niet en hadden ook weinig kaas gegeten van varen op het wad. Bijna reflexmatig beslissen we nu ook: we varen terug naar Delfzijl en daarna buitenom. Anders liggen we straks weken in Stad al ons geld te verbrassen, en komt dat moment van ‘echt’ vertrekken er nooit meer van.

Dus varen we terug naar onze thuishaven, om daar te wachten op de juiste wind voor een eerste zeiltocht. De vaste liggers staan bij aankomst op de kade te gebaren: wat doen jullie nou hier? Jullie waren toch vertrokken? “Rond de wereld in 80 uur!” Roept Jelle met een grote grijns.

Geef een reactie