We zijn terug in Delfzijl, en alsof het lot er mee speelt voorspelt het KNMI praktisch windstilte voor de komende dagen. We maken van de nood een deugd door een paar van de klusjes ‘voor als we er zin in hebben’ te doen. En we slaan nog wat extra proviand in: bonen, aardappelpuree, mais in blik en een aantal rookworsten, voor de acute behoefte aan een zoute, vette hap bij ruig weer. Terwijl ik de schroefdraad van onze leuverplaat in de mast repareer met blindklinkmoeren (gouden tip van een medezeiler), doet Jelle nog wat wasjes en boodschappen. Op de steiger maakt iedereen een praatje met ons, zéker nu we als ‘onvertrokken vertrekkers’ weer teruggekeerd zijn. Jelle krijgt van één van onze buren een korte clinic over zeevissen, want we moesten bekennen dat we daar geen flauw benul van hebben. We krijgen ook meteen twee extra hengels, loodjes en kunstaas toegestopt, onder de belofte dat we de foto’s op facebook posten als we er wat mee vangen. En even later staat Jelle opeens voor me met een snelkookpan. Die wilde ik nog aanschaffen om gas te besparen, maar onze havenbuurvrouw deed de hare aan ons cadeau. Zo is onze vertrekkersuitrusting pas écht compleet.

Voor zaterdag voorspelt het KNMI een lichte wind vanuit het zuiden. Zondag gaat het dan wat harden waaien uit het noordwesten. Omdat ook het getij meezit besluiten we zaterdag naar Borkum te varen, zodat we zondag meteen buitenom naar Lauwersoog kunnen. Korte tochtjes, maar we hebben al zo lang niet gevaren dat we er eerst even in willen komen. Zaterdagochtend varen we dus voor de tweede keer weg uit onze haven, uitgezwaaid door onze havenburen. Dus toch nog een filmisch vertrekmoment! We gaan de sluizen door en zetten eindelijk zeil, voor een heerlijk kalm tochtje naar Borkum.

Door het zeekanaal de dollard op: ein-de-lijk zee!

Er staat precies genoeg wind en stroom om ons erheen te blazen. Intussen belt mijn oom: hij is met zijn vriendin vanaf het Groninger wad ook naar Borkum gevaren. Dus staat er in de Burkana haven meteen een welkomstcomité klaar. Mijn oom is van mijn familie de meest fervente zeiler: vroeger ging ik wel eens met hem mee het wad op, en ik herinner me nog goed hoe het voelde om aan het roer van zijn schip te staan. Dat ik met mijn 10 jaar de koers van het schip in handen had, en dat dat schip ons over zee naar elke gewenste bestemming kon brengen wekte een gevoel van ontzag, trots, verlangen en dankbaarheid op dat ik voor het gemak maar even ‘weidsheid’ zal noemen. Alsof de wereld met al haar kracht en schoonheid het toelaat dat je haar in al je nietigheid verkent. Later ben ik dat gevoel van weidsheid ook tegengekomen in de bergen en op reis, en het maakt me altijd intens gelukkig. Als ik na zo’n tocht op zee weer thuis was snoof ik nog dagenlang de geur op in mijn slaapzak: bootlucht, héérlijk!
Mijn oom en zijn vriendin zijn vanaf het begin van onze plannen onze enthousiaste supporters. Onze keuze voor de levensstijl hebben we eigenlijk nooit echt hoeven uitleggen aan deze avontuurlijke en ondernemende zeventigers. Daarom is het fijn dat we ze nog even te zien en te spreken krijgen, na onze eerste mini-etappe van de Grote Reis. Zij liggen met hun Southerly met ophaalbare kiel in Port Henry, de andere jachthaven op loopafstand van de onze. Die haven is wat groter, maar voor ons onbereikbaar vanwege onze diepere kiel. We eten samen een hapje in het havenrestaurant, proosten op een goede vaart en gaan daarna elk ons weegs. Zij vertrekken morgen Oostwaarts. Wij wachten tot hoog water en laten ons dan met de stroom mee richting Lauwersoog duwen. Als de wind meewerkt komen we daar dan precies met opkomend water aan.

Rond hoog water gooien we los en varen via de Fischerbalje naar de Eems, waar we met een beginnende ebstroom mee de zee op varen. De wind is perfect en we genieten ervan dat het schip weer lekker loopt. Omdat de wind uit het noordwesten komt is Lauwersoog niet rechtstreeks bezeild. Dus steken we eerst een flink stuk langs het Borkumrif door naar het noorden, tot we bij het windpark komen. Inmiddels is de wind afgezwakt, zodat we heel kalm naar het noordoosten dobberen: hoe zwakker de wind, hoe minder scherp we aan de wind kunnen varen. We schatten in dat onze hoek bij overstag gaan bij deze wind zo’n 120 graden is. Op basis daarvan tekenen we uit waar we dan overstag moeten om in een rechte lijn naar het Westgat bij Schier uit te komen.

Even later varen we dus heel kalmpjes naar het zuidwesten, op precies de koers die we hadden berekend. Veel snelheid hebben we niet, maar precies op het moment dat ik me begin te vervelen hoor ik opeens een zacht maar onmiskenbaar “Pffffffffsjjj” naast de boot. Ik kijk om me heen, maar zie alleen een stel zeemeeuwen op zoek naar een visje. “Waar meeuwen zijn, zit vis”, zegt Jelle, die goed heeft opgelet bij Enno’s visclinic. Ik sta op op de hengel van hem aan te pakken, maar raak afgeleid door een kleine donkerbruine vin die boven water steekt. “Een bruinvis!” roep ik, en we staan als blije kinderen aan dek te kijken naar de kleine bruinvis die op een paar meter afstand van onze boot door het water glijdt. Even later zien we haar onder onze boot door zwemmen, precies voor onze neus. Maar ze is niet alleen: even later zien we twee vinnen rustig door het water glijden. Het is niet de eerste keer dat we bruinvissen zien, maar we worden er onverminderd blij van. Tot voor kort wisten we niet eens van het bestaan van bruinvissen af, en nu varen we naast ze, zo dichtbij dat we ze haast kunnen aanraken.

Meeuwen? Vissen!

De bruinvissen waren een goed voorteken: even later wakkert de wind aan en krijgen we eindelijk genoeg vaart om op tijd in Lauwersoog te zijn. Dat was ook de voorspelling, maar ik begon me toch langzaam wat zorgen te maken omdat ik niet met donker in het Westgat wilde varen. Het enige nadeel van de windkracht 4 die we plotseling in de zeilen hebben is dat die korte, steile golven met zich meebrengt, waardoor de Vrijstaat niet meer zo rustig op het water ligt. Op zich niet erg, ware het niet dat Jelle onmiddellijk zeeziek wordt en -naar eigen zeggen- ineenkrimpt tot een heel klein zielig hoopje mens, dat alleen nog na kan denken over de optimale stand van zijn hoofd ten opzichte van de horizon, om niet nog misselijker te worden. Hij ligt op de kuipbank aan de lage kant één te worden met het schip, zo lijkt het. Opstaan kan hij beter niet proberen, want dan verdwijnt zijn maaginhoud onvermijdelijk over de zeereling. Voor zeeziektepillen is het nu te laat, en ik weet ze zo gauw ook niet te liggen. Wel duikel ik een slaapzak en een extra truip op, zodat hij niet ook nog onderkoeld raakt. Daarna hou ik om hem heen het schip zo goed mogelijk op koers, al waaien we steeds meer naar het zuiden en is Lauwersoog inmiddels niet meer bezeild.

Gelukkig hebben de bruinvissen ook hieraan gedacht: precies op tijd draait de wind (of is het de kentering van de stroming? Ik weet het eerlijk gezegd niet zeker), zodat we naar het westen kunnen varen, precies naar de ingang van het westgat. Ik probeer Jelle gerust te stellen: straks kunnen we afvallen, krijgen we de wind van achter en wordt het als we op het wad zijn wat minder ruig. Bij de uiterton van het westgat gaan we bakboord uit. De golven lopen hier tegen de zandplaat op en zijn dus extra hoog en steil. We krijgen ze recht van achteren, zodat het schip met de vloedstroom mee naar Lauwersoog surft. Spannend, want het voelt alsof ik daarmee de controle over het schip verlies. Een tijdje stuur ik op de hand, maar als de golven minder worden neemt Arie het weer over. Het begint te schemeren, maar gelukkig is er nog ruim genoeg licht om de betonning te spotten. Ik had het niet zien zitten om praktisch solo en op alleen de lichten dit verraderlijke stukje Waddenzee op te varen. Lang leve de lange Nederlandse zomerdagen! Pas het laatste stukje naar de haven varen we op de lichten, maar dit stukje zee ken ik gelukkig goed genoeg om me daar geen zorgen meer om te maken. Rond elf uur ’s avonds varen we de haven van Lauwersoog in en meren af aan de steiger van de Robbengatsluis.

We zijn allebei behoorlijk moe: Jelle van het ziek zijn, ik van het zeilen. En we maken ons zorgen: de omstandigheden waren vandaag niet extreem en als Jelle’s zeeziekte hem iedere keer bij windkracht 4 of hoger uitschakelt, wordt het voor hem een wel erg barre reis en voor mij een wel erg grote uitdaging. Dat laatste is overkomelijk: ik zal niet de eerste zijn die lange solotochten maakt. Maar hoe leuk is het voor Jelle als hij tijdens elke tocht op doodgaan na sterft? Toch weten we dat het niet altijd zo gaat: we hebben wel steviger tochten gemaakt waar niets aan de hand was, en er zijn bovendien zeeziektepillen en -pleisters die we notabene aan boord hebben liggen. Een groot deel van de tijd zijn we bovendien helemaal niet aan het varen, maar liggen we met ons schip gewoon ergens aan land of voor anker. We besluiten het voorlopig maar gewoon aan te zien, maar leggen wel de primatour binnen handbereik. Nu nog hopen dat dat spul iets doet!

Geef een reactie