Woensdagavond varen we naar de Stevinsluizen, waar we precies op tijd zijn voor de laatste schutting naar buiten. We knopen aan de andere kant aan de wachtsteiger aan, zodat we ’s ochtends kunnen vertrekken voordat de sluizen draaien.
Om half vijf sta ik slaapdronken achter het roer, nadat Jelle (die goddank wél een ochtendmens is) me ontbijt en koffie gevoerd heeft. Hij gooit de landvasten los: officieel zijn we nu dan eindelijk écht vertrokken. Het is nog praktisch windstil, dus motoren we over een spiegelgladde zee naar Den Helder. Een uitstekende gelegenheid om te oefenen met de lichtkarakters, want hoewel de lichten op de tonnen die de geul markeren nog aan staan, is de betonning in het vroege ochtendlicht ook zo al goed te zien.
Het is een uur of zeven als we met een flinke stroom mee langs Den Helder spoelen, het Schulpengat op. We zwaaien in het voorbijgaan nog even naar de vuurtoren van Kijkduin: Dáág Nederland!


We hebben de stroming mee, maar de wind nog tegen. We motorzeilen het eerste stuk dus naar het zuidwesten, door de korte, steile golven die ‘wind-tegen-stroom’ oplevert. Geen pretje voor Jelle: die wordt onmiddellijk weer zeeziek. Omdat het zulk rustig weer leek heeft hij geen pillen ingenomen, en nu is het te laat, want hij houdt niets meer binnen. Hij gaat dus gestrekt in de kuip, terwijl ik de Vrijstaat over de laatste ondiepte richting Noordzee navigeer. De kentering van de stroming zorgt voor een rustiger zee, maar zet ons ook meer naar het noorden. Zo belanden we tegen onze wens toch in het verkeersscheidingsstelstel ‘off Texel’, maar gelukkig is deze zeesnelweg verlaten als we daar aankomen. We steken dus zonder problemen over. Als we amper aan de overkant zijn valt de wind weg: we kunnen de zeilen stellen wat we willen, maar die hangen lusteloos de klapperen op de golven. Die gaan dus naar beneden. Op de bezaan na, want die kunnen we op spanning zetten om geklapper te voorkomen. Onze snelheid loopt terug tot een halve knoop. De zee is veranderd in een golvende spiegel en ik stel me zo voor dat dit is hoe de oersoep eruit moet hebben gezien: een kalme, eindeloos uitgestrekte, vormeloze massa zonder duidelijke kleur, onder een stille hemel. De Vrijstaat lijkt hier misplaatst: alsof we per ongeluk in een plek buiten de werkelijkheid terechtgekomen zijn.
Terwijl ik mijmer over oersoep en buiten-werkelijkheden komt Jelle op de kuipbank weer bij zinnen. Nu we zo rustig op het water liggen krabbelt hij gelukkig snel weer op, dat is dan weer een voordeel van een windstilte. Van zeilen is niet echt sprake: we drijven alle kanten op en zelfs de kwallen zwemmen harder dan wij. Zo nu en dan drijven we voorbij een Jan-van-gent, die net als wij midden in de oersoep van het zonnetje zit te genieten. Mooie vogels, aan land heb ik ze nog nooit gezien.


Na een paar uur absolute windstilte voel ik opeens een licht vlaagje langs mijn wang strijken. Het water is nog rimpelloos, maar als we de fok bij zetten pikt die wel degelijk wat wind op. We hijsen alle zeilen en stellen de koers bij in één lijn naar Dover. We hebben een paar uur verloren, maar nu staat de wind uit de ideale hoek: we varen halve wind naar het zuidwesten, precies op de koers die we hadden uitgezet. Het is heerlijk, rustig zeilen en ’s nachts hebben we allebei een prima nachtrust.

Vrijdag blijft het zo: we hoeven de hele dag niets aan de koers of de zeilen te doen en kunnen ongestoord genieten van de zee, de zon, de wind en de boot. Ook Jelle heeft nergens meer last van en leest in de kuip een boek, tussen het wachtlopen door. We slapen zoveel mogelijk, zodat we uitgerust zijn voor de wachten die we ’s nachts lopen. Als ik net een paar uurtjes in de slingerkooi lig en de zon onder is maakt Jelle me wakker: “Anne! Bliksem recht vooruit!”.
Het is gedaan met de rust. Met onweer hadden we geen rekening gehouden, al wist ik dat er een frontpassage aan zat te komen, die het einde van ons weervenster betekende. Dom misschien, maar er was al zoveel om aan te denken… We hebben nog geen scenario voor wat we doen met onweer. Doorzeilen? Omkeren? We weten ook niet precies wat een eventuele blikseminslag doet met een stalen schip: het schijnt dat die een kooi van faraday vormt, maar wat dat precies inhoudt en wat dat betekent voor ons en onze elektrische installatie weten we geen van tweeën. Dat was er nou net één voor onze leeslijst. Maar terwijl we dit bespreken komt die bui wel steeds dichterbij, en het bliksemt vervaarlijk boven de zee waar we naartoe varen. We zijn in de omtrek veruit het hoogste punt en daar is nu niets meer aan te doen. Het enige dat we in de hand hebben is de impact van een inslag. Een medezeiler vertelde ons eens dat een inslag bij hem ervoor zorgde dat alle elektra in één keer naar de bliksem was, omdat alles aan elkaar gekoppeld is.

Ik loop in mijn hoofd ons elektraschema na, dat ik inmiddels na al dat klussen kan dromen. De marifoon (met een antenne in de bezaanmast) zit los van het boordnet op de accu, en het boordnet heeft een schakelaar die om kan. Of dat iets uit zou halen bij een inslag? Geen idee, dat moeten we later maar uitzoeken. Op dit moment is het het enige dat we kunnen doen, en die bui komt steeds dichterbij, dus we moeten snel zijn.


Terwijl ik het schip 180 graden draai om weg te komen van het onweer roept Jelle de kustwacht van Dover op en legt ze onze situatie uit. Zij stellen een aantal vragen: wie zijn jullie, hoeveel man aan boord, wat zijn jullie coördinaten, hebben jullie een handmarifoon (ja!), en hebben jullie navigatieverlichting die los van het boordnet werkt (ja!) Daarna roept Jelle een nabijgelegen schip op dat we zien op de AIS, om te waarschuwen dat we van de AIS verdwijnen. De stuurman is er kort over: “we hebben het gesprek met de kustwacht gehoord en zien jullie op de radar. Geen zorgen!”
Dus gaan bij ons alle lichten en alle systemen uit, precies op het moment dat de bui boven ons losbarst. Het water komt met bakken uit de hemel, terwijl ik buiten sta te sturen. Jelle, vanuit de kajuit: “Ik heb het deurtje van de beschermengel opengezet. Dan kan ze haar werk goed doen”. De beschermengel is zo groot als mijn pink en staat achter een klein deurtje aan de navigatietafel, zodat ze niet kapot kan vallen. We kregen haar van mijn zus, die erop zei te vertrouwen -al was het maar voor de gemoedsrust- dat deze ‘zak-engel’ ons zou behoeden voor gevaren op zee. En omdat mijn zus een buitengewoon verstandig mens is, kan het niet anders dan dat dat waar is. Dus richt ik mij, intussen verzuipend in de regen en bijgelicht door de bliksem in de onweerswolk boven ons, tot de engel, met het nederige verzoek ons veilig door de bui te laten varen.
Het helpt, want binnen een paar minuten al is de bui over ons heen getrokken. Er volgt een flinke bak wind, uit alle hoeken lijkt het wel. Het werkt desoriënterend, en even weet ik niet meer welke kant we nu op varen. De maan helpt gelukkig een handje: die hadden we net bakboord voor, dus daar kan ik op sturen. Het groene lampje dat een eindje verderop boven zee zweeft negeer ik voor het gemak maar even. Tot Jelle me erop wijst: “Zie je die groene lamp? Is dat een zeilschip?”
Uit de nacht doemt opeens een zeiljacht op, alsof het zojuist uit de onweersbui geschapen is. Het vaart rustig een stukje voor ons langs, we kunnen de zeilen in het maanlicht zien. Onze systemen gaan weer aan en onmiddellijk horen we uit de marifoon: “hallo Vrijstaat!”. Het is de mysterieuze zeiler, die even een praatje met ons maakt. Ook een Nederlander op weg naar Spanje, maar te horen aan de kalmte in zijn stem een stuk minder zenuwachtig over dat plan (en over het onweersbuitje) dan wij. Terwijl hij aan de horizon verdwijnt roepen wij de coastguard op: we zijn er weer. Op onze AIS zie je ons een rare pirouette maken. Het thuisfront zal wel denken…


Met de bui komt ook een windshift, die het ons onmogelijk maakt om verder te varen naar Dover. We worden naar het westen gedwongen, richting Harwich. Daar willen we niet heen, dus gaan we overstag in de hoop weer zuidwaarts te kunnen varen. Maar de stroom zit tegen, dus maken we weinig progressie. Door de nacht heen kruisen we op naar het zuiden, maar pas in de ochtend lukt het eindelijk weer om een koers te pakken die voldoende naar het zuiden loopt. Voor Dover is het alleen niet voldoende, dus besluiten we in Ramsgate binnen te lopen. Dat halen we met deze combinatie van wind en getij nét.

lekker varen aan de wind

Op zaterdagochtend motoren we dus het laatste stuk door de betonde geul naar de ‘Royal harbour’ van Ramsgate. We prutsen de Vrijstaat tussen de krappe steigertjes door en leggen aan achter de reusachtige kade van de haven. We zijn in Engeland! Nu zijn we pas écht vertrokken!

Reacties

Leuk om te lezen hoe het jullie vergaat. Ik blijf jullie volgen omdat ik heel nieuwsgierig ben wat jullie allemaal nog gaan meemaken. Behouden vaart!
Groeten vanuit Eindhoven
Peter

Dank jullie wel! We varen langzaamaan terug naar Fuerteventura, maar deze keer mét een goed ontsnappingsplan 😉 Hou ons in de gaten, als je in de buurt bent met de camperbus staat de uitnodiging om mee te varen nog van harte!

Geef een reactie