Drie dagen lang giert de wind ons door het want. Hoewel we in Falmouth redelijk beschut liggen, laat de depressie die overtrekt zich duidelijk voelen. We zijn blij dat we niet op zee zitten, en zeker niet op de golf van Biskaje. Toch balen we ervan dat we niet kunnen vertrekken, want hoe later het wordt in het seizen, hoe lastiger om een weervenster te vinden. Het zorgt voor een knagende onrust die in mijn achterhoofd veel energie kost. Blijven we hier liggen, dan moeten we maar afwachten of en wanneer er een gunstig weervenster komt. Waren we thuisgebleven, dan brak nu het seizoen aan voor de winterdepressie. Nu we zeilers zijn, breekt het seizoen aan van de zogenaamde ‘depressietrein’: een serie lagedrukgebieden die overtrekt en het weer in Europa onstuimig maakt. Zo voelt het ook een beetje: alsof we langs een drukke spoorbaan staan te wachten op dat ene gaatje om over te steken, steeds verblind door een nieuwe voortrazende trein. Onheilspellend, dus. Daarom besluiten we de plannen opnieuw bij te stellen: steken we het kanaal over naar Frankrijk, dan is de overtocht naar Spanje minstens met een dag verkort. Nadeel is dat je dichter bij de kust waarschijnlijk meer last hebt van golfslag, maar het alternatief (hier blijven wachten tot de zomer terug is) wordt met de dag onaantrekkelijker. Varen we eerst naar Brest of omgeving, dan kunnen we van daaruit zien wanneer zich een geschikt weervenster van een dag of vier voordoet. Komt dat niet, dan kunnen we ook nog besluiten om langs de kust af te zakken. Daarvan is het voordeel dat we steeds min of meer binnen bereik blijven van 4G, zodat we (met onze nieuwe modem) steeds op de hoogte kunnen blijven van de nieuwste weerberichten.

We wachten af tot de wind is afgenomen en trekken de zaterdag ervoor uit om de boot klaar te maken. Bijboot opvouwen, buitenboordmotor opbergen, fietsen aan boord halen, boodschappen doen, diesel en water tanken, de motor nalopen… tussendoor stuiten we natuurlijk op wat kleine klusjes, dus is de dag al gauw gevuld.

Afscheid van Falmouth

Zondagmorgen varen we uit Falmouth weg. Vanuit het centrum horen we de kerkklokken luiden en boven de heuvels daarachter prijkt een prachtige volle regenboog. Alsof de stad ons uitzwaait! Het is mooi weer met een prima westenwind, dus zodra we de havenmonding uit zijn hijsen we de zeilen. Jelle botviert zijn krachten op het grootzeil, dat door de nieuwigheid nog altijd een beetje stroef loopt. Daarna lier ik de bezaan zo snel mogelijk omhoog. “Pffssjjjjhh!!!” hoor ik opeens, zó hard en zó dichtbij dat het onmogelijk een dolfijn kan zijn. Tegelijkertijd duwt er iets kouds op mijn borst en in mijn gezicht. Ik kijk verschrikt om me heen, lier nog even verder tot het zeil goed staat en realiseer me dan: het koordje van mijn reddingsvest is achter de lier blijven hangen, waardoor ik zojuist van de verdrinkingsdood gered ben omdat het knalgele luchtkussen is opgeblazen. Jelle schiet in de lach: “we weten in elk geval dat het systeem werkt!”. Ik worstel me uit de beklemmende gele worst om mijn nek: gelukkig hebben we nog een vest (en CO2-vullingen) op reserve.

Die werkt!

Het is een heerlijke zeildag, met zon en genoeg wind uit de goede hoek. Alleen de dolfijnen ontbreken. Er staan flinke golven uit het zuidwesten, hoger dan we ze tot nu toe hebben gehad. Jelle heeft uit voorzorg pillen genomen, maar wordt naarmate we verder op zee zijn toch een beetje misselijk. Daarom bied ik aan binnen de boterhammen te smeren. Even later zitten we allebei misselijk in de kuip te kauwen op de boterhammen die ons niet zo goed smaken.

Kentering

Als Jelle even is gaan liggen zwakt de wind af, zodat we vrijwel stil komen te liggen. Ik zet de motor bij en de zeegang wordt wat rustiger. Genoeg in elk geval om Jelle weer op de been te helpen. Gelukkig maar: zelf word ik alleen maar misselijker en alles wat ik eet belandt via een omweg bij de vissen. Inmiddels is de wind weer aangetrokken, maar deze keer uit het zuidwesten. Met ook nog de stroom tegen kunnen we daardoor de koers die we hadden uitgezet (om Ushant heen naar Camaret) niet langer varen. We hopen dat de kentering daar verandering in brengt, maar na een aantal keer heen en weer gevaren te zijn geven we het op: dit kost te veel tijd, en vanavond gaat het erg hard waaien. We overwegen daarom het oosten van Ushant, zodat we daar vannacht kunnen schuilen. Volgens de almanak zijn daar vier mooringboeien en een beetje plek om te ankeren. Niet veel, maar we wagen het erop en verleggen onze koers. Dat wil zeggen: Jelle verlegt de koers en vaart ons daar naartoe, want ik lig intussen volledig uitgeschakeld in de slingerkooi. Het stadium ‘een beetje misselijk’ heb ik inmiddels allang achter me gelaten, en ik kan geen vin verroeren zonder onmiddellijk boven de emmer te moeten hangen. Mijn voorhoofd bonst van de koppijn, die ik alleen zo ken van migraine. Ik vraag me af of dát het misschien is wat me aan mijn kooi kluistert, want normaal gesproken heb ik nooit zo’n last van zeeziekte.

Naar Ushant

Wat het ook is: van het laatste deel van de tocht krijg ik -behalve dat ik vurig wens dat er snel een einde aan komt- niets mee, maar voordat ik het weet zijn we opeens bij het eiland. Er is niet veel ruimte, maar er is zowaar een mooring vrij. Ik zwalk dus aan dek om het allerlaatste stukje te sturen, half hangend over de reling omdat mijn maag onmiddellijk protesteert. Jelle pikt de lijn in aan de mooringboei… we liggen! Laat nu de storm maar losbarsten, wij gaan vanavond nergens meer naartoe.

Onze eerste mooring!

Wat is het een opluchting om stil te liggen, en wat is het fijn om met zijn tweeën te zijn! Als ik in deze staat had moeten varen, en nu nog de boot aan kant had moeten maken… het was me niet gelukt. Jelle maakt het bed voor me klaar en is druk in de weer met de boot, terwijl ik nog steeds van ellende in foetushouding op de bank lig dankbaar te zijn voor zo’n daadkrachtige stuurman. Mij was beloofd dat zeeziekte ophoudt zodra je stilligt, maar daar merk ik weinig van. Pas de volgende ochtend krabbel ik weer een beetje op. We bespreken de tocht na: wat hadden we beter kunnen doen? Misschien meer westelijk varen toen het nog kon, en eerder beslissen om binnendoor te varen in plaats van buitenom. “Ophouden met dat ge-heen-en-weer, nú Brest binnenlopen!” appte een bevriende zeiler, die ons via marinetraffic zag hannesen toen we stroom tegen hadden. Van een andere boot met grofweg dezelfde plannen horen we dat ook zij te kampen hadden met wind en stroom tegen. Zij zijn een haven ten noordoosten van Brest binnengelopen. Toch fijn om te weten dat we niet de enigen zijn…

Maar wat we vooral leren van deze overtocht is dat we van elkaar op aan kunnen, en dat er nog geen nood aan de man is als één van ons uitvalt. Als Jelle is uitgeschakeld neem ik het over, en Jelle neemt het over als ik niet door kan. Het is geruststellend om dat te weten, van elkaar en van onszelf. Zo ‘heb elk nadeel ook ze voordeel’, moet je maar denken.

Beslissen

De dag daarop blijven we aan de mooring liggen, om bij te komen van de korte maar heftige overtocht naar Frankrijk. We laten het eiland voor wat het is, slapen uit en eten bij. Daarna wenden we ons weer tot de weerkaarten: wat zullen we eens doen? Morgen is er windstilte, daarna gaat het -jawel!- hard waaien uit het westen, ruimend naar het noorden. Daar gaan we weer: is dit een weervenster? Is windkracht 6 op de golf van Biskaje voor ons acceptabel? Wat als de voorspellingen onjuist blijken en het per ongeluk toch windkracht 8 wordt? Is deze wind geschikt voor kustvaren?

Na eindeloos wikken en wegen besluiten we: we varen morgen desnoods op de motor naar het zuidelijkste puntje van Bretagne en eventueel verder naar Belle-Ile. Daar pikken we een weerbericht op en als het weer stabiel lijkt… dan besluiten we dan wel wat we met die informatie doen. Misschien zijn we angsthazen, misschien hebben we koudwatervrees, misschien ook zijn we ons op een goede manier bewust van onze onervarenheid en daarom gewoon voorzichtig. Hoe dan ook: het kost ons erg veel moeite om een besluit te nemen. Terwijl we woensdag langs de kust varen zetten we daarom onze drie hulplijnen in: Jouke, Thom en Douwe kijken met ons mee naar het weer en nemen daar hun eigen kennis en ervaring in mee. Alledrie komen ze tot een andere conclusie: “Meteen doorvaren!”, zegt Douwe. Jouke zet zijn geld in op de vrijdag. Thom adviseert ons te wachten tot zaterdag, omdat het daarna wat rustiger weer wordt. Helpt dit advies ons om te kiezen? Jazeker, want geen een van hen verklaart ons voor gek dat we de overtocht überhaupt overwegen. Dat betekent dat we gaan!

We kiezen voor de middenweg van Jouke. We kunnen dan de donderdag besteden aan koken, opruimen en moed verzamelen. Vrijdag vertrekken we dan naar het zuiden, zodat we als we een beetje doorvaren op maandag in Spanje kunnen aankomen. Mooi meegenomen dat we dan -zoals we ons hadden voorgenomen- nog nét vóór September de golf over zijn!

Om het te vieren komt een grote groep dolfijnen ons gedag zeggen. Ze zwemmen met de boot mee, buitelen om en over elkaar heen, zwemmen op de kop en op hun zij en maken onze dag helemaal goed. Het is een heel getob om in Spanje te komen, maar met zulke goede loodsen als de onze kan het haast niet meer misgaan!

Wil je onze posts in je mailbox ontvangen? Schrijf je dan hieronder in voor de Vrijstaat flessenpost!

Reacties

Wat een gedoe om steeds weer te voorspellen uit welke hoek de wind waait en hoe hard, lijkt mij spannend. Gelukkig kunnen jullie ruggespraak houden. Groetjes Hans

Spannend allemaal hoor wat een groot avontuur mogen jullie wel trots zijn. Fijn dat jullie op elkaar kunnen bouwen en hulplijnen hebben. Leuk om jullie avonturen zo te lezen! Succes en plezier verder met jullie reis! Groetjes Lia

Geef een reactie