Met een werkende schroef en Biskaje achter de rug staat ons niets meer in de weg om in alle rust Galicië te ontdekken, zou je zeggen. Toch blijft die onrust die in Engeland en Frankrijk steeds aanwezig was knagen: de herfst komt eraan, we moeten doorvaren! Deze keer is het de ronding van Cabo Finisterre die me opjaagt. Ook hier kan het in de herfst flink spoken en hoe later in het jaar, hoe zeldzamer de momenten dat je rustig ‘de hoek om’ kunt. Ik ben zo onverstandig geweest om naar het weerbericht te kijken, dus ik weet: er is nú een weervenster, daarna gaat het minstens een week minstens 30 knopen waaien. En zitten we dan gevangen in A Coruña? Ik weet ook wel dat dat onzin is en dat er hoogstwaarschijnlijk binnenkort een nieuw weervenster komt. Maar hoe hard ik ook probeer om mee te gaan in Jelle’s voorstel om hier eerst eens rustig een dag of twee in een baai voor anker te gaan, het lijkt wel alsof ik geïnfecteerd ben met een nogal hardnekkig zeilersvirus: ik wil verder!

We sluiten dus een compromis: we varen na een baai vlakbij en gooien daar het anker uit om even te ontspannen en een duik te nemen in het helderblauwe water. Tegen de avond varen we dan verder, in één ruk door naar de Rías Baixas, ten zuiden van Cabo Finisterre. Dat gebied is de heilige graal onder zuid-zeilers: aangenaam klimaat, goed beschut, erg schilderachtig en propvol met schitterende ankerbaaien en kleine haventjes. Dáár gaan we naartoe, en dan houden we voorlopig vakantie. Vanaf daar is het een lang eind zuidwaarts zeilen naar Portugal en de Canarische Eilanden, maar dat kan ook later in het jaar.

Zo besteden we de middag op een lokaal strandje in de zon, terwijl we naar een groep puberende jongens en meisjes kijken alsof het een natuurfilm was. De jongens hebben die leeftijd waarop de helft van de groep de baard in de keel heeft en de andere helft de opgelopen achterstand probeert te compenseren door als eerste van de hoogste rots te springen. De meisjes hebben hun mooiste bikini aangetrokken, maar verstoppen zich vervolgens onder hun handdoek omdat zóveel jongensogen zelfs het knapste meisje onzeker zouden maken. Corona of niet, het is voor deze jongeren op het oog een doodgewone zomer als ieder jaar.

Na het avondeten hijsen we de zeilen en varen we de baai van A Coruña uit, terug de zee op. We hebben een zachte wind mee naar het westen en het is heerlijk rustig zeilen. Als ik ’s nachts in de kuip naar de sterren lig te kijken voel ik alle onrust van de afgelopen tijd opeens verdampen. Het is alsof er een knop omgaat: heb ik tot nu toe steeds niet echt durven geloven dat het ons zou lukken om zeezwervers te worden, nu voel ik opeens een rotsvast vertrouwen dat we ons met de Vrijstaat wel zullen redden in de wijde wereld. Alsof ze me met die constatering willen feliciteren duikt er bij zonsopkomst een groep dolfijnen op die een eindje met ons meezwemt. Zo vaart de Vrijstaat een nieuw hoofdstuk binnen.

Vakantie

Dat nieuwe hoofdstuk is -excuses aan de lezer- niet bijzonder spannend. We houden onszelf eenvoudigweg aan onze afspraak om rustig aan te doen, en slijten onze dagen dus achter ons anker in één of andere mooie baai of in één of ander vissersplaatsje. De eerste dagen is het windkracht 6, dus ligt de Vrijstaat te dansen op de golven. We leggen haar daarom aan een visserskade in Muros, zodat we tenminste van boord kunnen. Een vriend van ons komt op bezoek: Levien is toevallig op de terugweg van een rondreis door Spanje en kan zijn kampeerauto op de parkeerplaats van de haven kwijt. Het is gezellig om weer eens een bekende over de vloer te hebben en samen kijken we rond in de omgeving van Muros.

  • Rio de Sieira

In de weken daarna varen we als er wind is naar een nieuw plekje om te ontdekken. De zeilers die ons voorgingen hebben niet gelogen: het is hier inderdaad schitterend. Zachtgele zandstranden, glashelder water en ’s avonds de geur van eucalyptus en dennen die vanuit de bossen komt aanwaaien. Nu eens liggen we in een baai waar zo op het oog nog nooit een levende ziel voet aan land gezet heeft, dan weer zoeken we de relatieve drukte van een groter stadje op om boodschappen te doen en ons Spaans te oefenen op de lokale bevolking. ’s Ochtends worden we meestal omringd door lokale vissers die hun netten uitzetten en die soms een praatje komen maken. ’s Avonds hebben we als we geluk hebben zicht op de voorbij zwemmende dolfijnen (terwijl ik dit schrijf kan ik ze buiten in het donker zelfs horen: “Pfffffsjjj”, vlak naast de boot). Hoewel we af en toe van plek ruilen, zeilen we de meeste dagen niet en gaan we aan land op verkenning, lopend of per racefiets. Die laatste vergroot onze actieradius enorm, zodat we ook de doodstille dorpjes in de heuvels tussen de ría’s kunnen bekijken. Het is het goede seizoen voor vijgen en kastanjes, waarmee we onze voedselvoorraad aanvullen. Ook mosselen zijn hier volop voorhanden, maar daar zijn we wat voorzichtig mee vanwege de toxines.

Verse kastanjes
Punta do Castro
Op verkenning
Punta do Castro
Castro de Baroña
Rio de Sieira
Missie geslaagd: een nieuwe gasfles!

Vissersvolk

Wanneer we bij Ribeira voor anker liggen worden we iedere ochtend omringd door een groep duikende snorkelaars, waarvan we ons afvragen wat ze in vredesnaam aan het doen zijn. Ze zijn gekleed in zwarte wetsuits met loodgordels om. Regelmatig duiken ze naar de bodem, waarbij hun zwarte zwemvliezen boven water uit zwaaien. Als we niet beter wisten zou ik zeker denken dat het waterwezens waren, verwant aan de zeehond en de walrus. Speervissers zijn het niet, want ze dragen niets bij zich, en het lijkt ons ook niet dat deze mannen hier elke ochtend voor hun lol aan het snorkelen zijn. Het mysterie wordt opgelost als we onze fietsen van boord willen halen. Dat is een beetje lastig met onze bijboot, dus Jelle legt contact met de visser die naast ons in zijn boot rondvaart. Of hij onze fietsen misschien even op het strand wil zetten? Dat vindt hij geen enkel probleem, dus zitten we even later met fiets en al bij de veerman-visser aan boord. Net als wij heeft hij absoluut geen haast, dus laat hij de overtocht lekker lang duren, terwijl wij in ons gebrekkige Spaans en hij in zijn gebrekkige Engels een gesprek aanknopen. Hij en zijn snorkelende collega’s zijn op zoek naar scheermesjes. Die schelpdieren zijn hier in grote aantallen in het zand te vinden en ze brengen heel wat op. Hij laat ze ons proeven, want zo vers uit de zee zijn ze rauw uitstekend eetbaar. Hij legt ons ook het geheim van de mosselen uit: continu wordt de waterkwaliteit in de Ría’s gemonitord, zodat de mosselkwekers weten wanneer ze wel en niet kunnen oogsten. Momenteel is de waterkwaliteit (die afhangt van een hele rits externe factoren) uitstekend, dus kun je momenteel zonder gevaar verse mosselen uit zee eten. Wij kijken elkaar glunderend aan: verse mosselen uit eigen achtertuin, wie wil dat niet?

Een paar dagen later willen we de fietsenfietsen weer oppikken bij de haven. Daar hebben we ze aan een hek vastgezet, zodat we met de boot even kort kunnen aanmeren aan de kade om ze op te halen. Maar van dat ‘even kort’ komt niets terecht: zodra we aanmeren begint een groep mannen van middelbare leeftijd op een motorboot luidkeels te speculeren waar we vandaan komen. Ons Spaans is inmiddels nét goed genoeg om de conversatie in grote lijnen te kunnen volgen. “Ik zeg het je, het zijn Fransozen!”, “Welnee idioot, dit zijn Engelsen, dat zie je toch aan hun schip?” De havenmeester, die ons inmiddels met de lijnen heeft geholpen, vertrouwt ze toe: “Het zijn Nederlanders”. “Nederlanders? Ja, zíj misschien, maar híj toch niet?” We komen er dus niet onderuit: we moeten onze afkomst even komen toelichten. Als Jelle uitlegt dat zijn grootvader uit Venezuela kwam roept de eigenaar van de boot triomfantelijk: “zie je wel, dus tóch een Spanjaard!”, en hij haalt onmiddellijk twee glazen tevoorschijn. Dus zitten we even later op het achterdek met een enorme bel likeur met -daar zijn we al snel uit- échte ‘Gallego’s’. Stuk voor stuk zijn ze werkzaam in de visserij: de één is kapitein op een vissersschip, de ander is mosselkweker, een derde heeft een conservenfabriek voor vis en schelpdieren. En nu ze het er toch over hebben: vandaag is de vaste dag voor de proeverij van nieuwe producten. Dus komen de mosselen en tonijn in blik op tafel: of we even ons oordeel willen geven? Ingeblikte vis mag dan in Nederland niet zo’n goede naam hebben, wat ons hier wordt voorgeschoteld is echt heerlijk. Ik probeer diplomatiek te zijn: “Déze mosselen zijn lekker omdat de saus pittig is, maar déze mosselen hebben wat meer smaak”. Daarmee ontketen ik onbedoeld een levendige discussie over wie er nu gewonnen heeft.
Twee uur later lopen we vrolijk, met drie flessen gekregen drank onder onze arm en enigszins wankelend over de steiger terug naar onze eigen boot. Van varen is vandaag geen sprake meer, dus gaan we voor anker vlak naast de haven. Morgen zien we wel weer verder.

Illa Arousa

Zo maken we kennis met wat ongetwijfeld het ‘cruisersleven’ heet: af en toe een beetje varen en verder vooral van het leven genieten. We herontdekken fantastische bezigheden zoals buitenspelen, siësta houden, kuieren, (een poging tot) vissen en boeken lezen. De klussenlijst die een paar weken geleden nog onze dagen beheerste ligt nu ergens half vergeten in een hoekje en van de drang om door te varen is weinig over. We begrijpen opeens heel goed waarom er zeilers zijn die besluiten het eerste jaar hier te blijven. Maar de herfst staat op de stoep, gisteren heeft het de hele avond geregend en gewaaid en we zien de temperatuur met de dag dalen. We zullen dus binnenkort wel verder varen, op weg naar de eeuwige lente van de Canarische eilanden.

Wil je onze posts in je mailbox ontvangen? Schrijf je dan hieronder in voor de Vrijstaat flessenpost!

Reacties

We hebben weer volop genoten van jullie verhaal én de prachtige foto’s! Goed om te lezen dat de onrust en klusdrive wat geminderd is en jullie heerlijk kunnen ontspannen. Geniet ervan! Groetjes Bart en Angelique

Ben nog maar net begonnen te lezen, bij dit verslag krijg ik een grote glimlach!
Het stimuleert mij als kandidaat vertrekker bijzonder!

Geef een reactie