“Anne? Ik weet dat het gek klinkt, maar er loopt hier een man over het water. En hij zingt er ook nog bij”. Mijn laatste restje slaap is meteen verdwenen. Ik kom overeind en steek mijn hoofd naar buiten door het dakluik, nieuwsgierig geworden naar Jelle’s wanen. Ik volg zijn verbijsterde blik en tuur door het zwakke ochtendlicht de kustlijn af. Mijn blik blijft hangen bij een silhouet van een man die inderdaad halverwege het strand en onze boot óp het water staat. Door de windstille ochtend klinkt een prachtige stem die uit volle borst een weemoedig lied zingt. Ik knipper met mijn ogen: dit kán helemaal niet! Het silhouet begint te bewegen en loopt, glijdt, zweeft richting het strand. Ik zou willen dat ik zo mooi kon zingen. Jelle kijkt me vragend aan: zijn we gezamenlijk krankzinnig geworden? Omdat de bijboot opgevouwen op het voordek ligt, kunnen we niet dichterbij komen. We turen naar het schouwspel, maar het beeld blijft steeds hetzelfde: deze man loopt over het water, te zingen alsof hij Pavarotti is.

Porto e.o.

We liggen voor anker bij Porto, klaar om naar het zuiden te vertrekken. Onze ankerplaats naast de jachthaven blijkt het beste van twee werelden, want met de fiets is het tien minuten stroomopwaarts naar de stad en tien minuten stroomafwaarts naar zee. In het weekend mengen we ons tussen de hardlopers, wielrenners, surfers, wandelaars, skateboardende jeugd en gezinnen met kinderwagens, in een grote optocht langs de kilometerslange kustboulevard. Het is nog altijd stralend weer, dus trekt iedereen er zo’n beetje op uit om buiten te spelen. Buiten het weekend struinen we rond in het centrum van Porto, tussen bont betegelde gebouwen, talloze kerken, winkelstraatjes, proeflokalen en restaurantjes. Het is een aangename mengeling van opgepoetst toerisme en ouderwets verval, zonder dat het al te gelikt of te gribusachtig wordt.

In een tweedehandswinkel doen we onszelf een nieuwe garderobe cadeau. Tegenwoordig lopen we er meestal als halve zwevers bij. Een winkelhaak, een smeervlek of een verfstreep: aan boord is het lastig om kleding mooi te houden, dus is onze voorraad kluskleding gestaag gegroeid, ten koste van onze normale kleren. Tijdens het zeilen geeft dat niks, maar zo onderhand zou het fijn zijn als we bij het aan wal gaan ook weer eens iets fatsoenlijks aan kunnen trekken. We slagen boven verwachting en tikken zelfs een 5mm wetsuit op de kop voor Jelle. Die kan straks op de Canarische eilanden van pas komen bij snorkelen, speervissen, duiken en werk aan het onderwaterschip.

Mondkapjes

Porto en omgeving bevalt ons goed, maar waar we misschien nog het meest van genieten is dat we grotendeels verlost zijn van de mondkapjes. In Spanje zijn ze zelfs in de buitenlucht verplicht, maar in Portugal hoeven ze alleen in publieke binnenruimtes op. Vanuit Nederlands perspectief mag dat een inperking van de vrijheden zijn, voor ons is deze regelgeving letterlijk en figuurlijk een verademing. Zodra we ergens naar buiten komen trekken we met een theatraal gebaar het kapje van ons gezicht om de buitenlucht in ons op te snuiven. Om zonder mondkapje op straat te lopen voelt de eerste dagen als een bevrijding, en tegelijk als een daad van verzet, als iets onfatsoenlijks bijna, alsof we ons voor ons onbedekte gezicht zouden moeten schamen. Het is bizar om te merken hoe snel een opgelegde regel geïnternaliseerd raakt.

Na een aantal dagen Porto wijst een Nieuw-Zeelander die naast ons voor anker ligt ons op de weersvoorspellingen. Deze week zet de Nortada (de Noordenwind die langs de Portugese kust waait) nog even door, maar daarna komt er een storing aan die voor stevige zuidenwind gaat zorgen. We lopen de weersmodellen erop na en besluiten de Nortada te benutten om naar het zuidente varen, zodat we, in de omgeving van Lissabon de zuidenwind af te wachten. Dinsdagavond maken we de boot vaarklaar, zodat we woensdagochtend vroeg kunnen vertrekken.

Voor anker bij Porto

En dan staat er woensdagochtend dus die man op het water te zingen. Ik kan het nog steeds niet verklaren: hij stond niet op een surfplank en waar hij liep was weliswaar een ondiepte, maar die viel de dagen daarvoor ook niet droog. Wat dit ogenschijnlijke wonder kan verklaren? We weten het nog steeds niet. Hoe dan ook: het was een spectaculair afscheid van Porto en een goed begin van een mooie zeiltocht.

Nortada

We gaan ankerop zonder de motor bij te hoeven zetten: grootzeil hijsen, schoten vieren, ankerketting inhalen, wachten tot de wind uit de goede hoek komt en dan gauw de grootschoot aan, de genua uit en het anker op. Met een kalme drie knopen glijden we over het water, richting zee. Daar pikken we al gauw de Nortada op: windkracht 4, recht van achteren. Deze keer zijn we beter voorbereid en heb ik de spiboom klaargelegd op het dek. Balancerend op het voordek pik ik de genuahoek in aan de ene kant en zet de andere kant op de mast. Jelle haalt vervolgens de genua aan stuurboord aan, terwijl het grootzeil aan bakboord blijft. Zo vlinderen we langs de kust. Er staat minder deining dan op weg naar Porto, waardoor beide zeilen deze keer zonder al te veel problemen op hun plek blijven. Dat zorgt voor rust aan boord: geen geklapper van de zeilen en geen geruk aan de schootblokken. Ook binnen is het stiller dan vorige week, omdat we de spullen steviger vastgezet hebben in de kastjes. Het is heerlijk zeilen zo en we maken flink vaart: met 6,5 knoop stuiven we richting het zuiden. En niet alleen wij hebben daar plezier van: ook de dolfijnen die met ons mee zwemmen hebben lol in onze vaart en springen met hun hele lijf hoog boven de golven uit. Alsof het schoonspringers zijn strekken ze op het hoogste punt hun rug: staartvin naar achteren, borst naar voren. Wij zijn een dankbare jury en geven alleen maar tienen.

Zeilen maakt gelukkig

Jelle heeft de eerste nachtwacht, waarna ik na een paar uur soezen in het donker de kuip in kruip om het over te nemen. Het is een heldere en frisse nacht, dus heb ik even nodig om me met mijn dikke sokken, mijn sjaal, mijn muts en mijn donswanten aan onder een slaapzak op de kuipbank te nestelen. Als ik geïnstalleerd ben kijk ik om me heen om me te oriënteren. Dan pas zie ik waar ik me bevind: precies op de grens van twee duizelingwekkende ruimtes. In het uitspansel boven me strekt zich het universum uit, bezaaid met sterren en planeten en een bescheiden schijfje maan. De melkweg wijst de weg naar het zuiden. Het lijkt wel alsof de zee een spiegel is van het tafereel boven me: in het donkere water licht het zeeschuim op in het maanlicht en zeevonk zorgt voor duizend kleine lichtjes langs de romp van het schip. De vrijstaat trekt achter ons een oplichtende streep dwars door het water, als een tweede melkweg naar het zuiden. Het is niet de eerste keer dat we door zo’n prachtige heldere nacht varen, maar het is steeds opnieuw verbijsterend. Voor de tweede keer vandaag heb ik het gevoel dat ik naar een wonder sta te kijken.

We hadden gepland om de ongeveer 200 mijl naar het zuiden af te leggen in ongeveer 48 uur. Zo zouden we in de ochtend aankomen, bij daglicht. Maar nu de Nortada ons stevig in haar greep heeft maken we veel meer mijlen, en komen we naar verwachting middenin de nacht aan. Daar hebben we geen zin in: ankeren in het donker is stressvol en bovendien liggen er hier voor de kust overal onverlichte vissersboeien die we niet in de schroef willen varen. Varen we door tot het ochtend wordt, dan komen we uit bij een kustlijn waar het lastig schuilen is. Daarom besluiten we voor anker te gaan naast de haven van Cascais. We kunnen daar aan het begin van de avond zijn en er is goede beschutting voor de Nortada. Zo gezegd, zo gedaan. De baai bij Cascais is drukbezet, maar we vinden een plekje op roeiafstand van de kade. Met de beschutting valt het tegen: de noorderwind duikt hier van de heuvels af en zorgt voor een onrustige nacht. Niet dat we daar veel van merken: na een nacht op zee slapen we altijd als blokken en het ankeralarm en de dieptemeter waarschuwen ons als het mis gaat.

Cascais
Bij Cascais

De volgende ochtend hebben we een appje van Angelique: “als jullie willen douchen mag je onze pas wel lenen!”. De zilveren maan blijkt even verderop in de haven te liggen en heeft ons op de AIS zien binnenvaren. Aan het eind van de middag gaan we daarom bij ze langs, niet alleen voor de (in grote dankbaarheid aanvaarde) warme douche, maar ook voor de gezelligheid. Natuurlijk komt al gauw het weer ter sprake: voor maandag en dinsdag wordt voorspeld dat er een flinke storing overkomt, met harde wind uit het zuidwesten. Bij Cascais waai en dein je dan gegarandeerd van je anker. Robin en Angelique zijn van plan een haven ten oosten van Lissabon op te zoeken. Die ligt wat verder landinwaarts dan de andere havens van Lissabon en is dus beter beschut tegen de harde zuidwester. Wij zijn vooralsnog van plan naar Seixal te varen en daar voor anker te gaan. Maar als we de dag daarop opnieuw het weer bekijken zijn de verwachtingen bijgesteld: plaatselijk wordt 45 knopen wind verwacht. Windkracht 9! We besluiten toch maar een plekje in de haven te reserveren, zodat we veilig en comfortabel te storm uit kunnen zitten. Als we de haven bellen blijkt dat die bij harde wind wordt afgesloten door twee sluizen. Ze hebben nog plek voor ons, dus als we op tijd binnen zijn liggen we daar zo vast en veilig als een huis.

Windverwachting voor dinsdag

Zondagochtend varen we naar Seixal, zodat we maandagochtend alleen nog de Taag over hoeven steken om bij de haven te komen. We varen de rivier op, tussen talloze jachten die daar aan hun moorings liggen. Een eindje voorbij het centrum vinden we ruimte om te ankeren. Het is even zoeken naar een plek met genoeg diepgang en genoeg afstand van andere schepen, maar na twee pogingen liggen we vast. Seixal is een klein plaatsje met pastelkleurige huizen en kleinschalig toerisme. We liggen voor anker in het canal do Seixal, aan de rand van een moerasgebied. Het is hier vast goed vogels kijken, en ik betreur dat we hier niet wat langer de tijd hebben om rond te kijken. Het is niet anders: morgen trekt de wind in de loop van de ochtend aan, en het lijkt ons niet fijn om hier dan nog te liggen.

Seixal
Roeien tegen de stroom

Met de bijboot gaan we aan land om een wandeling door het plaatsje te maken en boodschappen te doen. We moeten flink tegen de ebstroom roeien, maar het is gelukkig niet ver. Een uur of twee later laden we twee backpacks vol boodschappen in de bijboot en beginnen we aan de terugtocht. Jelle roeit, terwijl ik de richting in de gaten houd. Zodra ik de boot afduw het water op zie ik de Vrijstaat naar links bewegen. Even denk ik dat iemand ermee wegvaart, maar dan realiseer ik me dat de ebstroom ons bootje juist meeneemt naar stuurboord. Vonden we net nog dat we flink tegen de stroom in moesten roeien, nu is de stroming zeker twee keer zo sterk. Jelle zet een tandje bij en verlegt de koers naar bakboord, maar we blijven steeds verder van de Vrijstaat afdrijven. “Nog meer naar bakboord Jelle, anders komen we er niet”, zeg ik. Weer verlegt Jelle de koers. Nu roeien we recht tegen de stroom in. Ik kijk naar de kade en zie dat we nu precies op één plek blijven, terwijl Jelle het tempo flink heeft opgevoerd. Het is alsof we op een loopband roeien. “Ik denk niet dat het gaat lukken, schat, we kunnen beter terug”, zeg ik, want ik zie onszelf al met de stroom mee de Taag op spoelen in het donker. Maar die suggestie valt niet in goede aarde. Of juist wel? In een moordend tempo en met een verbeten blik gaat Jelle aan het werk als een machine. “We zullen wel eens zien wie hier de baas is!”, gromt hij tussen zijn tanden naar de zee. En dan zie ik heel langzaam de Vrijstaat dichterbij kruipen. Om ook iets te doen te hebben tel ik het tempo af: “één twee, één twee, één twee… beetje stuurboord!”. De roerdollen kraken vervaarlijk onder zoveel geweld, maar ze houden het. “Één twee, één twee, kom op, zo gaat het goed!” Het bankje waar Jelle op zit valt met een klap naar beneden, maar hij gaat onverstoorbaar door. “Één twee, één twee, daar is de boot van de buren, nog twee meter!”. We klampen ons vast aan de boot die achter ons voor anker ligt: eerst even op adem komen! De buurman komt naar buiten om te kijken wie zijn boot komt enteren. Hij heeft zijn schip gekocht in Nederland en ligt sinds een kleine week hier. “Dapper van je om met deze stroming te roeien”, merkt hij op. “Dapper of dom?” zeggen wij grijnzend. Als Jelle een beetje op adem is beginnen we aan de laatste etappe. “één twee, één twee, nog 10 meter! Nog 8! Nog 5! Nog 2!” Opgelucht grijpen we ons vast aan het zwemtrapje. We zijn weer thuis! Misschien de volgende keer toch beter de buitenboordmotor aan de bijboot hangen?

Kerstboom van Portugese boodschappen. Zwarte bonen en véél piri piri!
De Taag over

Maandagmorgen staan we vroeg op, om bijtijds te vertrekken. In de loop van de ochtend trekt de wind uit het zuidwesten aan en voordat het echt onstuimig wordt willen wij al in de haven liggen. We ontbijten en gaan ankerop, met de ebstroom mee naar buiten. We zeilen alleen op de genua: genoeg wind en een stuk minder gedoe. Om ons heen varen de supersnelle veerboten af en aan tussen Lissabon en de omliggende dorpen. Het is lastig om hun koers te voorspellen en rekening met ze te houden, maar we merken al snel dat zij erg wendbaar zijn en ons met gemak kunnen ontwijken. Het is lekker zeilweer en we lopen met een goede vier knopen richting Lissabon. Als we de Taag opdraaien en stroomopwaarts varen loopt de snelheid terug. 3 knopen, 2 knopen, een halve knoop… Het lijkt alsof we flink doorzeilen, maar de tegenstroom heft bijna alle snelheid op. Alsof we op een loopband zeilen… waar kennen we dat van? Ik verleg de koers naar bakboord, waar de stroming niet zo sterk is. Omdat de wind tegelijk begint aan te trekken, loopt even later ook de snelheid weer op. Tegen de tijd dat we ronden elven de haven aanlopen varen we 5 knopen op alleen de genua, met een stevige wind recht van achteren.

Havenmanoeuvre

Jelle roept de haven op: of we binnen mogen varen? Ze instrueren ons even te wachten tot we de havenloods in zijn rubberboot zien: hij zal ons de haven in begeleiden. We rollen alvast de genua in en zetten de motor aan in vrijloop. Ook zonder voorstuwing lopen we nog bijna 4 knopen, met wind en golven mee. De loods is er gelukkig snel bij en ik stuur op de motor naar de haveningang. De harde zijwind en de stevige golven zorgen dat de Vrijstaat flink ligt te rollen. De haveningang is smal, met aan weerszijden stevige betonnen wanden. “Kom op, Victor!”, spoor ik onze dieselmotor aan, omdat ik er niet aan moet denken dat die het nu begeeft. Eenmaal de haveningang door stopt het rollen meteen, zodat Jelle de stootwillen kan gaan ophangen. Onmiddellijk begint nu de dieptemeter te piepen. Ik gebaar naar de loods: Is er voldoende diepte? Hij knikt ongeduldig en roept terug: “More power!” Ik zie wel waarom, want de wind zet ons naar stuurboord en als ik niet oppas heb ik te weinig ruimte om de haakse bocht te maken de sluis in. Ik geef een flinke dot gas en stuur de Vrijstaat op hoge snelheid de openstaande sluis in. Tegennatuurlijk: normaal gaan we de sluis in op standje ‘dooie slak’. Maar we komen ongeschonden aan de andere kant. “Bakboord!” gebaart de loods en ik gooi mijn hele gewicht tegen de helmstok aan om de krappe bocht om te komen de haven in. De dieptemeter piept: nog 20 cm onder de kiel, maar we zijn binnen! De loods legt zijn dinghy aan de kade en even heb ik de neiging om als een jonge gans achter hem aan te varen, recht op de steiger in. Net op tijd realiseer ik me dat wij natuurlijk in een box moeten aanleggen. Een flinke dot gas in z’n achteruit brengt de boot bijna tot stilstand. De Vrijstaat heeft blijkbaar ook wel zin in een haven, want ze draait haar neus als vanzelf de juiste box in. Lijnen aangeven, stootwillen ophangen… We liggen! Ik wissel lachend een blik met de havenloods: Dat was te gek!

WIL JE ONZE POSTS IN JE MAILBOX ONTVANGEN? SCHRIJF JE DAN HIERONDER IN. 

Reacties

Ik zou willen dat ik zó mooi kon schrijven! Elke keer weer genieten van jullie verhalen… Ik kijk uit naar de volgende flessenpost.

Ik zag jullie gisteren via marine traffic als een knipperende rode stip de sluis door , bakboord uit en naast het schip dat het dichtst bij de wal ligt aanmeren.
Mijn fantasie werkte op volle toeren mee en zo ook mijn jaloesie. De hulp van de havenmeester was mij ‘s morgens in Groningen (cursus HOVO) via Anne-mieke ter ore gekomen. Prachtige plek om van daaruit Lissabon te bezoeken.
Ook wij verwachten vanmiddag een paar uurtjes windkracht ZZW 9!
Stormachtige groet van Dirk en Anneke

Mooie verhalen die me aan ons eigen verblijf daar herinneren 😉
Zeker de natuur , het eten , de dolfijnen fantastisch. Veilige mijlen gewenst.

Net met het gebruikelijke plezier de flessenpost gelezen. Wat maken jullie toch veel mee en doen jullie veel mooie ervaring op. Je zou er bijna jeloers op worden. Maar de flessenpost geeft ons telkens weer een beetje het gevoel dat wij er bij zijn.

Lieve mensen, de verdrietige grijze druil die jullie gisteren hadden is nu hier. Maar mijn dag is al weer zonnig vanwege het prachtige stuk dat je schreef. De belevenissen en capriolen komen voor mijn geestesoog écht tot leven en ik vergeet dat ik gewoon aan tafel zit op VH 36.

Oh wat schrijf je prachtig. Ben er helemaal bij en vergeet even de zorgelijke toestanden hier. Dank je 😊. Ook de photos zijn weer top.

Geef een reactie