We zijn in Lissabon in de haven gaan liggen omdat er storm op komst is, maar dat blijkt al snel een storm in een glas water. Héél véél water: twee dagen lang regent het bijna onafgebroken, maar echt hard waaien doet het vooral een eindje ten zuiden van ons. Geeft niks: met zulk pestweer liggen we nog steeds liever in een haven dan dat we gierend achter een anker liggen, al was het alleen maar om de accu’s met zo weinig zonlicht toch op spanning te houden.

Dat weinige zonlicht heeft overigens niet alleen effect op onze accu’s; ook ik heb ’s morgens even tijd nodig om me aan de indruk te onttrekken dat we gewoon nog in onze thuishaven liggen. De lucht, het water, de laagbouw om ons heen: alles is hier net zo grijs, kil en druilerig als Delfzijl op een gure herfstdag. Alsof we nooit vertrokken zijn! Het is een deprimerende gedachte, maar gelukkig is er net als in Delfzijl volop aanspraak op de haven, zodat we de zinnen verzetten met steigerpraatjes met onze nieuwe buren. In het havenkantoor zijn we bovendien welkom om lekker warm en droog in de gemeenschappelijke huiskamer te zitten met een warme bak slobberkoffie en zeilersliteratuur uit de jaren ’70.

De bijboot als regenton

Na twee dagen en twee nachten onafgebroken regen klaart de lucht heel voorzichtig op. Ik steek uit nieuwsgierigheid een meetlat in de bijboot: er staat bijna 20 cm water in. Het is en blijft voorlopig kalm weer, dus kieperen we de bijboot leeg, checken uit bij het havenkantoor en gooien los. Op zoek naar wat natuur varen we naar Ilha do Rato, een piepklein onbewoond eilandje een eindje verderop. Hoewel, onbewoond… de naam (‘ratteneiland’) doet vermoeden dat er wel degelijk bewoners zijn. Vlak langs het eiland razen de veerponten met hoge snelheid door de vaargeul en wij liggen daar net tussenin, dus een echt rustige plek is het ondanks de windstilte niet. Maar voor een nacht is het prima en we zijn tenminste niet omringd door beton. De volgende ochtend ontbijten we buiten, want goddank is het stralende zomerweer weer teruggekeerd. Uit mijn ooghoeken zie ik een drietal vreemdsoortige reigers overvliegen. Ze hebben een enorme spanwijdte en een idioot lange nek die ze helemaal naar voren uitstrekken. Bovendien zijn ze… knalroze? Ik schiet in de lach: niks reigers, flamingo’s! We drinken gauw onze koffie op en springen in de bijboot, gewapend met verrekijker en camera. We wandelen rond het eiland op zoek naar de flamingo’s, maar die blijken een heel eind verderop te zitten. Het eiland zelf is niet veel soeps: opvallend veel zieke en dode meeuwen, een deprimerende hoeveelheid zwerfafval en nergens een rat te bekennen. Terwijl wij teruglopen naar de boot komt een groep Portugezen net aan land. Ze beginnen verwoed te graven in het net drooggevallen zand. Kokkelzoekers! Voordat we de bijboot in stappen besluit ik toch ook een poging te wagen. Met mijn handen graaf ik een gat in het zand en heb zowaar meteen beet. Voor de lunch hebben we even later dus pasta met verse schelpdieren: wat die Portugezen kunnen, kunnen wij ook!

De taag
Bij Ilha do Rato
Kokkelzoekers

De dagen daarna is er niet veel wind en we besluiten om terug te varen naar Cascais, om daar de wind af te wachten die ons naar de Algarve moet brengen. Die etappe is iets meer dan 100 mijl varen, dus hebben we zo’n 24 uur goede wind nodig om er te komen. Intussen verkennen wij de omgeving van Cascais wat beter en maken we een prachtige fietstocht langs de kust en langs de imposante kastelen van Sintra. Als er een dagen later eindelijk een goed weervenster is maken we ons klaar voor vertrek. Maar op de ochtend dat we los willen gooien wordt Jelle wakker met iets onder de leden: hoofdpijn, hoesten, moe… Is het Covid? Lastig te zeggen, want de symptomen lijken evenveel op een gewone verkoudheid.  Wat het ook is, we blijven hier tot Jelle beter is. Dat gebeurt gelukkig snel: na drie dagen bedrust is hij bijna weer de oude, zei het wat stijfjes van het gebrek aan beweging. Ik heb intussen nergens last van, maar ga contact met anderen uit voorzorg maar wat zorgvuldiger dan gewoonlijk uit de weg. Gelukkig is onze voorraad proviand goed op orde, dus is er geen noodzaak tot boodschappen doen.

Pauwen in het park van Cascais

Als Jelle weer beter is is het windstil, maar raast er bij Ierland een flinke storm. Daardoor is er waar wij zitten een stevige deining op komst: golven van 5 à 6 meter, waartegen we maar deels beschut liggen. We willen daarom ondanks de windstilte doorvaren naar Setubal, een dagtocht vanaf Cascais. Daar liggen we beter beschut tegen de deining en bovendien meer in de natuur. ’s Ochtends gaan we met tegenzin aan de slag: fietsen aan dek halen, boot zeilklaar maken, afwassen… Een lange dag motoren op zee staat ons allebei tegen en misschien dat we daarom zo traag zijn dat we sowieso al niet meer bij daglicht kunnen aankomen. Daar heb ik de balen van: we hebben al eerder met onszelf afgesproken dat we het zeilklaar maken de dag voor vertrek doen, want het duurt altijd langer dan we dachten. Nu zijn we weer in dezelfde valkuil gelopen en moeten we straks in het donker door een ondiepe en nauwe doorgang navigeren. Ik heb zin om Jelle de schuld te geven, maar ik kan geen goede reden vinden. Dus leg ik hem maar gewoon uit waarom ik baal: van onze gebrekkige planning, van hoe lang het voorbereiden duurt, van de windstilte, van het vooruitzicht om 9 uur lang door de stevige deining te moeten motoren, om daarna in het donker aan te komen. “Dan gaan we toch gewoon níet?” antwoordt mijn altijd pragmatische stuurman. Tsja…

Dus liggen we die dag en de dagen daarop flink te rollen op de ankerplaats in Cascais. Gelukkig komen de golven uit het noordwesten en liggen we achter de haven toch behoorlijk beschut. Vanaf het dek hebben we mooi zicht op enorme rollers die van achter de haven komen aanzetten en een paarhonderd meter verderop op het strand gesmeten worden. Het eerder zo helderblauwe water is nu veranderd in een bruingrijze massa. Als de deining wat afneemt en de Vrijstaat netjes op haar plek is blijven liggen gaan we aan land: ik wil aan de andere kant van de haven wel eens kijken hoe die golven eruitzien als er niet een havenvormige golfbreker tussen zit. Even later staan we oog in oog met de golven die regelmatig in mijn nachtmerries figureren: woeste muren van schuimend water die met moordende snelheid op je afkomen en je geen enkele ruimte laten om aan ze te ontsnappen. Als die op hun pad een notendopje als de Vrijstaat tegenkomen slokken ze haar op en spugen ze haar uit in de vorm van verwrongen staalplaat en luciferhoutjes. In mijn nachtmerries overleef ik dat zelf dan altijd ternauwernood, maar of dat in de praktijk ook zo is…

(Ter geruststelling aan de bezorgde lezer: we moeten vreemde capriolen uithalen om daadwerkelijk in een dergelijke branding terecht te komen: zo dicht langs de kust varen we nooit, en zeker niet onder deze omstandigheden. En op open zee zijn dezelfde golven gelukkig een stuk tammer.)

Nog een paar dagen later gaat het dan eindelijk toch waaien. Er trekt een uitdovend koufront over en daarna volgt er noordenwind, 6 beaufort. Dat zal wel stevig zeilen worden en omdat we een tijdje niet echt hebben gevaren is dat een goed recept voor zeeziekte. Dus besluiten we al voor het koufront uit te vertrekken. We starten dan met weinig wind en bouwen wind en golven langzaam op. Maandagmorgen maken we ons klaar voor vertrek, zodat we eind middag kunnen vertrekken. Wéér niet volgens afspraak, maar gelukkig verloopt alles volgens planning en kunnen we eerder dan verwacht ankerop. Ik haal de ketting omhoog en tuur in het water of ik het anker al vrij zie hangen. Maar in plaats van het anker komt er een kluwen tevoorschijn van staaldraad, ankerketting, plastic en visnet: we hebben een oude kreeftenkooi aan de haak! Zo loopt onze planning toch nog in het honderd… Met de pikhaak hengel ik de ankerketting die onder de kooi hangt omhoog, zodat ik daaraan het anker aan boord kan tillen. Maar met een kreeftenkooi vol rommel aan de boeg en een los anker aan dek kunnen we natuurlijk niet naar het zuiden varen, dus stuurt Jelle de boot heel voorzichtig naar de visserskade. Een tweetal vissers ziet ons probleem en komt ons helpen. Ze varen met hun bootje langs onze boeg en bevestigen een lijn aan de ketting. Jelle staat inmiddels aan de kant en vangt het andere eind van de lijn handig op. Ik geef intussen ketting uit, zodat we de kooi op de kade kunnen leggen en rustig kunnen beginnen aan de puzzel. Die lijkt gelukkig moeilijker dan die is: binnen 5 minuten hebben we de knoop ontward en is het anker weer netjes opgeborgen. Stipt volgens planning vertrekken we ten langen leste dan toch nog uit Cascais, op weg naar het zuiden.

Beet!

De eerste paar uur glijden we rustig over een kalme zee naar het zuiden, met vol zeil. De frontpassage verloopt zoals in de boekjes: achter ons komt een duidelijke lijn met dikke wolken steeds dichterbij en als die overtrekken ruimt de wind een aantal graden, om daarna aan te trekken en ons met een stevige vaart naar het zuiden te blazen. Als de nacht valt reven we het grootzeil op het tweede rif en rollen we de uitgeboomde genua een stuk in. Ook als het windkracht zeven wordt blijft de boot zo goed bestuurbaar en redelijk comfortabel, voor zover dat kan op deze koers. Met wind en golven van achteren maken we veel snelheid, maar rolt de Vrijstaat heen en weer als de wijzer van een kapotte (want erg onregelmatige) metronoom. Een goede nachtrust zit er met zo’n rollend schip niet in, want als je net in slaap dreigt te vallen klapt er altijd net een deurtje open, valt er iets van de boekenplank of blijkt er een blik tomaten irritant heen en weer te liggen rollen in het keukenkastje: ‘rrrrr-pók!, rrrrr-pók!’. Jelle, die normaal geen oog dichtdoet bij alleen al het vermoeden van een mug en wakker schrikt zodra een vis zijn rugvin krabt aan onze ankerketting, ligt tijdens mijn wachten onverstoorbaar te ronken.

Aan bakboord zien we langzaam de Portugese kust voorbijtrekken. Verder is er vandaag weinig te beleven: de dolfijnen laten zich niet zien en we zien ook geen andere schepen. Aan het begin van de middag kunnen we de Cabo de Sao Vicente ronden en gaan we bakboord uit. We varen richting de vuurtoren van Sagres, langs imposante rotspartijen van een oranjerode steensoort die de zee er hier nog blauwer uit doet zien. Inmiddels fluit de wind door de verstaging: meestal waait het op dit stuk nog wat harder door de invloed van het land. Ik denk terug aan een maand of twee geleden, toen windkracht 6 er nog voor zorgde dat mijn hele lijf wakker, alert en gespannen was, al vertelde ik mezelf dat alles onder controle was. Nu waait de wind ons harder dan ooit door het want, maar hang ik ontspannen op de kuipbank, met heel mijn lijf wetend dat alles onder controle is. Een wereld van verschil!

Vanaf Cabo de Sao Vicente vliegen we met zeven knopen richting Sagres. Als we voorbij de vuurtoren zijn moeten we een paar mijl naar het noordoosten om in Sagres te komen. We hopen dat we daar op de ankerplaats wat beschutting kunnen vinden voor de harde wind. Om goed aan de wind te kunnen varen moeten we de boom van de genua halen en de bezaan hijsen, maar voor die paar mijl hebben we daar geen zin in: er is een flinke zeegang, dus van gehannes op het voor- en achterdek word je niet blij. We proberen het met de zeilvoering zoals die is, maar dat is hopeloos: we komen er gewoonweg niet tegenin. Ook nu zijn we pragmatisch: voor dat laatste stukkie gaat gewoon de motor bij. Even later varen we de ankerplaats bij Sagres op. We pikken gauw een vrije mooring op, want met de beschutting valt het nogal tegen en we hebben geen zin in een gebroken nacht door een krabbend anker. Terwijl Jelle buiten zorgvuldig alle lijntjes vastzet om hinderlijke geluiden te voorkomen, ben ik allang verzonken in een siësta, die duurt tot de volgende ochtend.

Wil je onze posts in je mailbox ontvangen? Schrijf je dan hieronder in.

Reacties

Lieve Anne-Margot en Jelle,
Met veel plezier lees ik al jouw e-mails.
Wat een avonturen maken jullie mee, echt spannend.
Je schrijft heel boeiend,👍👍👍.
Ik ben benieuwd naar de volgend post. Canarische eilanden ??
😘😘😘 Anneke

Jeetje, van enkel het filmpje te bekijken word ik al zeeziek 🙂
Ik heb erg gelachen om de ‘ronkende’ Jelle. Je schrijft echt super leuk!
We volgen jullie avonturen dan ook op de voet.
Veel plezier en veilige volgende avonturen!
groetjes Bart en Angelique

Elke keer een plezier om jullie verslag te lezen!! Jullie komen op plekken waar wij ook met onze boot waren, dus nagenieten voor mij. En andere plaatsen hopen nee volgend jaar te bezoeken, en heb ik op deze manier voorpret. Hoe dan ook, de schrijfstijl is heerlijk!

Geef een reactie