Drie uur ’s nachts. “KLOINK!” Ik schrik tegelijk met Jelle wakker van een ruk aan onze ankerketting. Buiten tikken de vallen nijdig tegen de mast en de wind fluit langs onze luchthappers. Stevige buien, zoals voorspeld. Omdat er op deze ankerplek een flinke getijdenstroom staat vind ik het geen wonder dat we wat onrustig achter het anker liggen. Slaperig draai ik me om, klaar om weer in te dommelen. Maar Jelle vertrouwt het niet en staat al in zijn onderbroek aan dek. “Moet je zien, we kunnen bijna aanmeren aan de cat van de buurman!” Tien seconden later sta ik met mijn slaperige hoofd ook aan dek. De buurman waar we naast lagen is opeens heel ver weg, en onze andere buurman ligt opeens bijna langszij. Foute boel, het anker krabt! We liggen stil, maar dit is geen veilige plek om te blijven: als het anker niet houdt, drijven we tegen de buurman aan en trekken we hem misschien ook van het anker. Bovendien liggen we vlak naast een ondiepte en de kleigrond hier zuigt gretig alles in zich vast waarmee het in aanraking komt. Daar krijgen we onze langkieler met geen mogelijkheid uit los. We gaan dus gauw ankerop en varen tegen de wind in een stukje verder stroomopwaarts, op zoek naar een plekje wat dichterbij de kade. Als we toch opnieuw ankeren, is een betere plek mooi meegenomen.

In het donker varen we langzaam en voorzichtig over de drukbezette ankerplaats. Er is niet veel ruimte meer tussen de boten en door de harde wind en de sterke stroming is het lastig om de boot stil te leggen op de juiste plek. Omdat het anker bovendien niet goed aangrijpt in de zachte kleigrond is het een heel geworstel. Drie keer haal ik al mijn stuurmanskunsten uit de kast om de Vrijstaat met de neus in de wind op de perfecte plek stil te leggen. De eerste keer maakt de wind dankbaar gebruik van ons dode punt en duwt onze boeg naar stuurboord, nog voordat het anker ligt. Poging twee eindigt te dicht op een ander schip, dus liert Jelle het anker weer omhoog. De derde poging lijkt goed te gaan: het anker gaat naar beneden, we slaan achteruit met de stroming mee tot de ketting strak staat en blijven precies een bootlengte voor de buurman stilliggen. Maar als ik de motor in zijn vrij zet, trekt er net een bui over. Een stevige windvlaag laat de Vrijstaat verwaaien naar bakboord. Bibberend in de koude wind en regen kijk ik hoe we langzaam om ons anker heen richting het andere buurschip drijven. Het is lastig in te schatten waar onze schepen ten opzichte van elkaar uitkomen als het anker houdt. Hoopvol tuur ik de nacht in, naar de witte boeg van de buurman. Mijn warme bed lonkt, ik heb koude voeten en bevroren vingers. “If you can read this, you’re too damn close!”, denk ik bij mezelf wanneer ik de letters ‘Way of Life’ op de boeg zie opdoemen. Een bekende spreuk voor op tienershirts en bumperstickers, maar -blijkt nu- ook geen overbodige luxe op een scheepsboeg. Jelle staat nog in pyjamabroek bij de ankerlier en is tot dezelfde conclusie gekomen. Hij liert het anker op: tijd voor poging vier.

Ria de Alvor

“IK-HEB-EEN-LIIIJJN!” Hoor ik Jelle even later brullen, om de wind en de stortregen te overstemmen. “Nou van harte, we hebben hier wel 20 lijnen”, denk ik bij mezelf. “ANKER-OOOOP!” brul ik net zo hard terug, want het anker is los en we moeten hier weg voor we door de boeg van de Way of Life heen varen. “KAN-NIET! LIIIIJJJN!” luidt Jelle’s antwoord. Het zal toch niet? Maar als even later een bliksemschicht de hemel een kort moment verlicht zie ik dat er inderdaad een dikke lijn achter het anker gehaakt zit, zodat het anker niet omhoog kan. Niet zo best, want intussen zet de wind ons steeds verder richting ‘Way of Life’. Vooruit wegvaren gaat niet, want dan varen we ons anker onder het schip door en worden we onbestuurbaar. Achteruit kan ook niet, want het anker zit vast. Ik stel de motor zo af dat we de wind precies doodvaren. Terwijl ik de Vrijstaat zo goed en zo kwaad als dat gaat door de windvlagen op een plek hou doet Jelle verwoede pogingen om de lijn van het anker te krijgen. Nu blijkt er ook een boeitje naast onze boeg te liggen met een lijntje naar beneden. Jelle haalt hem aan boord en tovert, als een goochelaar met zakdoekjes, een hele kluwen aan visdraad, netten en krabbenkooitjes tevoorschijn. Rommel waar je met je schroef niet doorheen wilt varen, maar helaas is het niet de lijn waar we aan vast zitten. Inmiddels zijn we allebei doornat, doorkoud en klaarwakker. Wat was deze manoeuvre een verschrikkelijk slecht idee…

Het anker zit nog steeds vast achter de lijn, maar dat houdt ons niet op één plek. Langzaam schuiven we langs de lijn zijwaarts richting Way of Life en er is niets dat ik daartegen kan doen. Dus nemen we een onorthodox besluit en meren we langszij af. Beter met opzet en gecontroleerd dan per ongeluk en met schade. De bewoner staat even later aan dek: “Goedenacht, gaat alles goed?”, vraagt hij monter. We leggen de situatie uit en hij knikt begrijpend. “Dus jullie leggen hier even aan tot het ochtend is geworden?” vraagt hij, alsof hij elke week zulke nachtelijke bezoekers heeft. Eigenlijk was dat niet onze bedoeling, maar als hij daar geen problemen mee heeft…

We laten het anker voor wat het is, zetten een ankerwacht en kruipen na een warme beker thee onder de wol, in afwachting van het ochtendgloren. Maar als we net weer warm en slaperig zijn trekt er opnieuw een bui over. De wind heeft op onze samengebonden schepen extra vat en trekt ons onder helling. “PANG!” klinkt het door de nacht, dus even later staan we alledrie weer aan dek. Onze zeereling is losgetrokken door de druk op de stootwillen. “Ding-ding-ding!” loeit het ankeralarm, en ik zie dat we een meter of vijftien verplaatst zijn. We komen los, met mooring en al! Blijkbaar zijn de drie ankers van de Way of Life niet genoeg voor twee schepen in harde wind. We geven ons anker meer ketting: houdt de mooring niet, dan doet ons anker misschien nog iets. Een kwartier lang kijken we gespannen wat er gebeurt, maar we lijken nu wel weer netjes stil te liggen en de bui is overgetrokken. Het is een uur of 6: nog een uur voordat het licht wordt.

Als de ochtend gloort overleggen we met de buurman. Bij daglicht zie ik dat zijn ‘way of life’ geen grootspraak is: dit is duidelijk een schip waarop geleefd wordt. De bijboot zit vol plakkers, er staan twee oude roestige fietsen aan dek en boven de giek hangt een zelfgemaakt regenwatersysteem. De eigenaar is een eigenzinnige Zweed, gestoken in oranje oliegoed en een gehaakte muts, waaronder twee helderblauwe ogen duidelijk laten weten dat deze man zijn eigen plan trekt. En dat plan is -gelukkig maar- om ons weer op weg te helpen. Hij stelt voor het anker te kappen, zodat we aan de kade aan kunnen leggen en het anker later bij rustig weer kunnen ophalen. Maar wij zijn niet zo happig op het doorslijpen van onze ketting, dus verkennen we een aantal andere mogelijkheden. “Goedemorgen, hulp nodig?” vraagt een man die schijnbaar ongehinderd door het hondenweer in zijn kayak komt aan peddelen. Het is de Britse buurman van een schip verder, in een verbleekte zeiljas en met net zo’n eigenzinnige oogopslag. Jelle heeft inmiddels een plan bedacht. Dwars door de fluitende wind en de stromende regen peddelen er even later dus drie eigenzinnige mannen heel eensgezind in bootjes rond, terwijl ik vanaf de Vrijstaat dingen aangeef. We spannen twee lange lijnen naar twee schepen verderop, om de kracht op de mooring te verminderen en te verdelen over twee andere moorings. Dat lukt zo goed, dat de lijn van ‘onze’ mooring opeens helemaal slap staat. Ik zie mijn kans schoon en lier het anker omhoog. Een grote kluwen lijn en visnet komt naar boven. “Aha, daar heb je mijn mooring”, zegt de Zweedse buurman nuchter. Vanuit zijn bijboot ontwart hij de kluwen, zodat ons anker eindelijk vrij is. Opeens staat de Britse buurman naast me in zijn wetsuit, klaar om onder water de schade te inspecteren. “Varen jullie maar naar die kade, daar lig je vannacht veilig. Jullie moeten eerst uitrusten”, zegt hij met een geruststellend schouderklopje. Ik kan de man wel knuffelen, maar dat mag niet van corona.

In plaats van knuffels varen we ‘s middags langs met bootgemaakt gebak. De mooring is weer gerepareerd, niemand heeft uiteindelijk schade. Het is de hele dag gezellig bij ons aan de steiger, want alle vaste liggers komen vragen wat er gebeurd is. Er komen heel wat verhalen los: er schijnen op deze plek wel vaker schepen van hun anker te spoelen door de zachte kleigrond. Oppassen geblazen dus! We zijn opgelucht dat het zo goed is afgelopen en blij met de zorgzame hulp van die eigenzinnige zeilers. Voorlopig liggen we veilig aan de kade, maar als we bijgeslapen zijn gaan we gauw op zoek naar ons tweede anker!

Wil je onze posts in je mailbox ontvangen? Schrijf je dan hieronder in.

Reacties

Leuk om je verhaal te lezen wij vinden het altijd zoon mooi gezicht al die scheepvaart daar voor anker als we vis eten in de haven veel plezier met de rest van de reis

Geef een reactie