Na een lange, saaie tocht vanuit Mar Menor met meer motor- dan zeiluren zijn we aangekomen op de Balearen. Een paar nachten liggen we bij een stille baai aan de westkant van Formentera, goed beschut tegen de sterke oostenwind die ons de doorvaart naar het oosten belemmert. Na een paar dagen zonnen, vissen en zwemmen laat de windverwachting een weervenster zien. Het is een weervenstertje van niets: een nacht lang harde zuidwestenwind, maar als het goed is precies genoeg voor de relatief korte afstand naar Mallorca. We wachten tot het eind van de dag, wanneer de wind de goede kant op draait. De zon gaat onder in een heiige, gelige lucht, terwijl de zuidwestenwind die opsteekt ons vertelt dat het tijd is om te gaan.

Vrijstaat voor anker bij Formentera

In het donker steken we tussen Ibiza en Formentera door. Het is een nauwe en ondiepe doorgang, die gelukkig goed gemarkeerd is met verlichte bakens. Terwijl we ons concentreren op de juiste koers stuiven de veerponten op hoge snelheid langs ons heen. Geen traject dat ik graag zou varen zonder AIS! Eenmaal op de ondiepte tussen de twee eilanden in krijgen we de deining van zee vol op de neus. Omdat het een tijdlang uit het oosten heeft gewaaid staan de golven nog uit die richting, terwijl de wind uit het westen inmiddels aangewakkerd is. Wind tegen deining op een ondiepte: het is geen wonder dat de zee al snel verandert in een chaotisch klotsende massa, waarin de Vrijstaat onrustig ligt te slingeren. Omdat het ook nog donker is, verdwijnt Jelle al snel ziekjes de kajuit in. Gelukkig wordt de zeegang iets regelmatiger als we in dieper water varen, maar het is en blijft onstuimig weer.

Weidsheid

Het heeft wat onheilspellends om in het donker op zo’n wilde zee te varen in een open kuip van een kleine boot. In het diffuse maanlicht zie ik de schuimkoppen om me heen oplichten en ik vraag me af wat ik als mens hier eigenlijk te zoeken heb. De zee heeft de Vrijstaat in haar sterke knuisten en ik maak me geen illusies: ik heb weinig te vertellen. Om mijn eigen onrust de baas te worden ga ik rechtop op de kuipbank staan, met één hand aan de mast, terwijl ik het schip en de golven onder me door laat bewegen. Ik zing alle zeeliederen die ik ken, zachtjes, om Jelle niet wakker te maken. Van bovenaf kijk ik hoe de boeg van de Vrijstaat gestaag door de golven ploegt. Golven van links, golven van rechts, maar de Vrijstaat vaart rustig rechtdoor naar Mallorca. Wat is ze toch een fantastisch stoer schip! Ik schakel over naar liefdesliederen en sta al gauw tevreden over de golven uit te kijken. Zo staand in de kuip is het net alsof je tussen de golven door loopt en hoewel ik me nog steeds misplaatst voel in dit waterlandschap, heeft het gevoel van onheil plaatsgemaakt voor iets anders. Dankbaarheid? Ontzag? Trots? Vertrouwen? Ik noem het weidsheid: een plek innemen in deze ontzagwekkende wereld en in dankbaarheid vertrouwen dat ze je niet zal verpletteren.

Als ik toch eens zó kon zingen….!

Mallorca

Als ’s ochtends de zon weer opkomt en de lucht helderblauw kleurt blijkt de Vrijstaat veranderd te zijn in een lapje Sahara op zee. De zuidwestenwind van vannacht heeft het zand uit de woestijn meegenomen en heeft in alle kieren en gaten van de boot een laagje stof achtergelaten. Zeilen, lijnen, dek antennepark: alles is oranjebruin, alsof er een sepiafilter over de Vrijstaat ligt. Niet veel later neemt de wind af en wordt de zeegang rustiger. Jelle krabbelt gelukkig snel weer op. We hijsen de lichtweerzeilen en verleggen de koers de uiterste westkust van Mallorca, om de afstand te verkorten. Als het laatste zuchtje wind verandert in een windstilte laten we het anker zakken in de baai van Santa Ponca.  

Een baai verder, Portals Vells

De dagen daarop wachten we op geschikt weer om verder te varen, maar de oostenwind overheerst nog steeds, zodat er niets anders op zit dan kleine dagtochtjes te varen wanneer het even kan. Dat is ook geen straf: Mallorca heeft een eindeloze reeks schitterende baaien waar je in kristalhelder water op zandgrond kunt ankeren. Of het anker wel goed ligt is zo nooit meer een vraag, want we kunnen het vanaf de boeg altijd zien liggen. Na een aantal korte tochtjes gaan we voor anker bij Colonia de st Jordi, vlakbij het zuidelijkste puntje van het eiland. Verder kunnen we niet: er staat nog steeds een harde oostenwind, die voor een flinke deining op zee zorgt. Aan de oostkust van het eiland vind je met die omstandigheden bijna geen beschutte ankerplaats en ook de (vaak peperdure) havens hebben last van de deining. Dus blijven we ongeduldig achter anker liggen ten noorden van St Jordi, zoveel mogelijk buiten bereik van deining en wind. ’s Nachts verdwijnt op onverklaarbare wijze plots onze bijboot (waarover later meer), zodat we onze aandacht kunnen vestigen op een nieuw probleem en ons niet hoeven te vervelen. Als we niet veel later een vervangend exemplaar hebben geregeld lijkt er weer wat ruimte in het weerbeeld te komen. Nou ja, ruimte: de wind wordt iets zwakker en draait iets naar het zuidoosten. Eigenlijk is het geen weervenster, maar ik ben een ongeduldig mens en Jelle is optimistisch. We halen dus het anker op en vertrekken aan het eind van de dag richting Menorca -denken we dan nog.

Een wilde rit

De eerste vijf mijl is het heerlijk varen: vol zeil, prima wind, precies de koers die we voor ogen hadden. Als we het zuidelijkste punt van het eiland naderen komt er een stevige deining ons tegemoet. Een veeg teken, maar ik wil het niet weten: “dat is het effect van de kaap op de deining”, maak ik mezelf en Jelle wijs. De avond valt als we de kaap ronden. Zoals gebruikelijk neem ik de eerste wacht. We komen terecht in een nachtmerrie: hinderlijke kruisdeining en harde wind die onheilspellend door de verstaging fluit. We zijn in ons optimisme vertrokken met vol zeil, tegen beter weten in: bij twijfel altijd reven (zeil minderen), want méér zeil zetten is op zee makkelijker dan zeil minderen. Daar is het nu te laat voor: de wind duwt de Vrijstaat wreed onder helling, terwijl de zee tegen de boeg aan beukt. Ik heb het helemaal niet naar mijn zin en Jelle nog minder: die zit binnen in Villa Volta en heeft het gevoel alsof we vergaan. We besluiten het grootzeil neer te halen, zodat we verder kunnen varen op bezaan en genua. Dat is het voordeel van een kitsgetuigd schip: onder voor- en achterzeil vaart het schip stabiel, en het grootzeil neerhalen is makkelijker dan reven.

Zo gezegd, zo gedaan: we gaan overstag en laten het grootzeil zakken. Ik klim aan dek om het zeil vast te sjorren aan de giek, terwijl Jelle het schip in de wind houdt. Na een wilde en frustrerende rodeorit zit het grootzeil vast en zit ik nahijgend in de kuip. Het schip ligt nu gelukkig een stuk rustiger, maar als ik naar de koers kijk zie ik waar ik al bang voor was: met zo weinig zeil maken we niet meer genoeg snelheid om tegen de wind in te komen. Dus varen we nu pal naar het noorden en als we weer overstag gaan pal naar het zuiden. Zo wordt het een heel lang ‘heen-en-weer’ waar pas een eind aan komt als de zeegang of de wind verandert.

Een veilige haven

We hebben nu drie opties: terug naar waar we vandaan komen, heen en weer blijven varen tot er betere tijden aanbreken, of langs de oostkust een plek vinden om in het donker te ankeren. We kiezen voor dat laatste en laten ons oog vallen op Cala Figuera: een kleine baai die weliswaar naar het oosten open is, maar diep genoeg het land in gaat om -hopen we!- genoeg beschutting te bieden tegen de deining. De omstandigheden zijn verre van ideaal: stevige wind, hoge golven en het holst van de nacht. Hoe donker het is merk ik als we richting de kust varen en ik uit de duisternis opeens een rotskust voor mijn neus zie verschijnen. Gauw ga ik stuurboord uit, want hoewel ik op de GPS en dieptemeter wel zie dat ik heus niet op de klippen loop, vertellen mijn ogen me iets heel anders. Afstand inschatten is op zee toch altijd al lastig, maar ’s nachts is visuele plaatsbepaling helemaal een ramp. De laatste zeilen gaan neer en de motor aan. Ook zet ik het deurtje van onze beschermengel uit voorzorg open: een beetje hulp kunnen we met deze spannende manoeuvre wel gebruiken! In opperste concentratie varen we langs de rotsen, op zoek naar de ingang van de baai. Ik zie de vuurtoren die de ingang markeert dichterbij komen, maar ik zie alleen een massieve rotswand.

‘Iti’, onze beschermengel op zakformaat

Door de hellepoort

Dan verschijnt er plotseling middenin die rotswand een lichtje, en daarna nog één. Het is de straatverlichting van het dorpje aan het einde van de baai. Gelukkig hebben we nu iets om op af te varen. We gaan bakboord uit de smalle baai in, de motor zachtjes bij. Grote golven tillen ons van achteren op en duwen ons naar binnen. Schuimende watermassa’s slaan links en rechts van ons kapot op de rotsen. We worden omringd door het geluid van brekend water en ik ben Wie dan ook dankbaar voor het zwakke schijnsel van de maan, zodat we tenminste nog kunnen zien waar het water ophoudt en de rotsen beginnen. Jelle staat op de boeg op de uitkijk, terwijl ik op het achterdek met bonzend hart de helmstok fijn sta te knijpen. Ik probeer uit alle macht om alles om me heen tegelijk waar te nemen: de diepte, de windrichting, de golven, de rotsen, onze snelheid, het motorgeluid, mijn positie… “Kom op Victor, doe je best!” spoor ik onze dieselmotor aan, want in dit soort gevallen kun je maar beter geloven dat zo’n aansporing zin heeft. Gelukkig laat Victor ons ook nu niet in de steek.

De baai maakt een flauwe bocht naar rechts en daarna weer naar links. De deining neemt af en we krijgen zicht op een kleine haven. Één zeilschip ligt voor de haven aan een mooringboei en hekanker, hevig heen en weer te slingeren naast een rotswand. Verderop ligt een vloot aan kleine bootjes, waar we (als het al diep genoeg zou zijn) niet meer bij passen. Veilig ankeren gaat hier niet lukken, dat is me wel duidelijk: te smal, te onstuimig en te vol. Voorzichtig vaar ik de vissershaven binnen, rakelings langs de rotsen. Het is nog donker, maar twee grote vissersschepen staan op het punt van vertrek. “Mogen we hier aanleggen?” roept Jelle naar één van de kapiteins. “Ankeren vóór de haven”, antwoordt hij. Ankeren in deze kolkende massa is een goed recept voor rampen, dus ik wurm de Vrijstaat koppig nog een rondje door de krappe havenkom. Dan wijst de kapitein naar een derde, onbemande vissersboot. “Leg daar maar aan”.

Cala Figuera ( niet mijn foto)

Zo knopen we even lager langszij vast aan een vissersboot met motorpech. Terwijl de vissers aan hun werkdag beginnen kruipen wij in bed, rustig schommelend op het restje deining dat de havenkom bereikt. We hebben het gered, maar voorlopig wachten we met verder varen tot een écht weervenster!

Wil je onze posts in je mailbox ontvangen? Schrijf je dan hieronder in.

Reacties

Griezels, jullie hebben idd een groot hart om in de nacht met slecht zicht en aanlandige wind een vreemde haven in te duiken.
Ben het eens met de vorige reactie.

Geef een reactie