Vrijdag 6 juli

In Cuxhaven slapen we allereerst goed bij. Vrijdagmiddag gaan we op pad voor een aantal bootschappen: we hebben een hevel nodig om diesel uit de jerrycans in de tank te hevelen, ook tijdens het varen op zee. Ook willen we een nieuwe lange lifeline voor het werken aan dek, nieuwe acticide om onze diesel tegen dieselbacterie te behandelen (de nachtmerrie van elke zeiler) en wat bevestigingsmaterialen voor de bijboot aan dek. En tot slot moeten we langs de Lidl, want hier verkopen ze nep-amaretto voor 5 euro per fles. Dat hebben we wel verdiend, vinden we.

Cuxhaven blijkt een aardige havenstad te zijn, met een aantal mooie oude panden en in het straatbeeld overal verwijzingen naar de scheepvaart. We eten in een typisch Duitse imbiss een currywurst, vinden in een aantal winkels precies wat we nodig hebben en gaan weer terug aan boord voor een rustige avond ‘thuis’.

Havenstad ‘Cux’

Zaterdag 7 juli

Poolse buren

‘s Morgens ligt naast ons, aan de calamiteitensteiger, een enorm stalen zeiljacht dat eruit ziet alsof het al 10 jaar geen onderhoud heeft gezien.  De lak bladdert van de roestige romp, de lijnen zijn verweerd en onder de algen valt op het kajuitdak amper nog de naam ‘Miss Livet’ te lezen. Het is een varende calamiteit. Aan boord zit een groep al even verweerde Polen met luide stem te discussieren. De enige vrouw aan boord spreekt Engels en komt een praatje met ons maken. Ze vertelt dat de schipper het schip heeft gekocht op de Canarische eilanden en het nu naar huis vaart. Ze zijn al enkele maanden onderweg. Omdat het schip ondanks haar omvang niet erg stabiel op de golven ligt, was het niet bepaald een aangename tocht. Gelukkig zijn ze bijna op bestemming: Gdansk is hooguit nog een paar dagen varen. Even later komt de schipper zich er tegenaan bemoeien. En niet alleen tegen wat de vrouw vertelt, maar tegen alles wat hij ziet: de stootwillen van ons schip hangen te hoog of te laag, de paalsteek die ik in een lijn aan het leggen bent doet hij wel even voor, er zit een puntje roest op de zijkant van ons dek, als we door het Kielerkanaal willen mag dat alleen tussen 22:00 en 3:00… Hij spreekt niet meer dan 5 woorden Engels, dus ratelt hij maar door in het Pools. We worden er al snel een beetje moe van, want we hebben nog flink wat klussen die we vandaag af willen maken voor we aan het eind van de middag vertrekken. Maar als we dat vertellen maken we het alleen maar erger: “Świetny!” roept hij, “dan kunnen we mooi samen varen!”. Even later staat hij in de kajuit om uit te leggen hoe de handmarifoon werkt, zodat we onderweg contact kunnen houden.

Miss Livet & crew
De bijboot op drift

De klusjes vorderen maar langzaam. Jelle test nog een keer de bijboot, deze keer met een afgetopte benzinetank. Het wil een beetje baten, maar de buitenboordmotor werkt nog steeds niet van harte. Als hij de motor uit de bijboot weer aan boord brengt van de Vrijstaat gaat het mis: het bootje zit niet goed vast en wordt door de wind gegrepen. Vanuit de kajuit hoor ik: “Anne! Ons bootje!”. Ik zie dat hij afdrijft naar de andere kant van de havenkom, dus zet ik het op een lopen om daar het bootje uit het water te vissen. Langs de havenkom blijven een aantal flanerende mensen glazig staan kijken naar het tafereel: een speelgoedbootje dat met grote vaart door de havenkom waait, met aan de ene kant op de steiger een van het lachen bulderende Pool met een veel te korte reddingslijn in zijn handen en aan de andere kant een blonde vrouw die als een bezetene de andere kant op rent. Jelle probeert op dat moment de bijboot van een buurman te lenen. Gelukkig heeft een Duitser de tegenwoordigheid van geest om het bootje uit het water te plukken, zodat het in elk geval niet verder zeewaarts waait. Buiten adem bedank ik hem. Ik probeer het bootje langs de havenkom terug naar de haven de leiden, maar dat lukt niet vanwege de rotsen waar ik de bijboot niet overheen wil sleuren. Dus spring ik aan boord een probeer ik tegen de wind in terug te roeien. Maar de wind zet me steeds meer richting havenmond, en ik ben als de dood dat ik straks op de Elbe terechtkom, waar de stroming 4 knopen richting olietanker is. Dus roei ik terug, naar Jelle die inmiddels ook naar de andere kant gerend is. Jelle is gelukkig drie keer zo sterk als ik, dus hij roeit moeiteloos de bijboot terug naar de Vrijstaat.

Bij terugkomst staat de Pool op zijn dijen te kletsen van het lachen. Hij imiteert de schaapachtige houding van de omstanders, maar zelf  bleef hij met een veel te korte lijn en een pikhaak aan de steiger staan, dus daar hadden we ook niet veel aan.
Na dit oponthoud besluiten we dat we de klussenlijst voor vandaag niet op tijd af krijgen en dat we net zo goed morgenochtend kunnen vertrekken. Bijkomend voordeel is dan dat we niet onder de continue aandacht van de Pool (die ons nu geen moment meer met rust laat) hoeven varen. Dus nemen we de tijd om de bijboot aan dek vast te maken, het reddingsvlot te verplaatsen, de kraanlijnen beter te bevestigen en de Polen uit te zwaaien. Morgen staat de wekker weer om 5 uur.

Zondag 8 juli

Rond half zeven vertrekken we richting Brunsbuttel. We hebben dan het laatste deel van de vloedstroom mee en kunnen tegen HW aankomen bij de sluizen. Er staat een stevige noordwestenwind mee, dus we maken het onszelf makkelijk en hijsen in eerste instantie alleen de fok. Pas later, als we vanwege de kromming van de Elbe wat scherper moeten varen, gaat de bezaan bij. Dat is voldoende om ruim 6 knopen te varen, dus we klagen niet. Rond 9 uur komen we aan bij de sluis, waar we direct naar binnen mogen varen. Om half 10 varen we vervolgens het kanaal binnen.

De Elbe is drukbevaren

Het is heerlijk weer, met een zachte wind en een vriendelijk zonnetje. Op zondag is er weinig andere scheepvaart, zodat het varen hier weinig inspannend is. Langs het kanaal stikt het van de vissers die hier van de rust komen genieten. Af en toe passeren we een brug, maar we hoeven nergens te wachten, want ze zijn allemaal hoog genoeg om met mast en al onderdoor te varen. Op andere plekken varen veerpontjes af en aan. Het is wel duidelijk dat dit kanaal erop gebouwd is om een grote verkeersstroom efficient te verstouwen. Vandaag profiteren wij daarvan.

Toch weer de Polen…

Het loopt tegen zevenen als we de sluizen bij Holtenau naderen. De sluisdeuren staan open, maar ik bedenk me dat we nog niet betaald hebben. Aan bakboord staat op de kade een blauw betaalhuisje. Aan de kade ligt een schip dat ons bekend voorkomt: het is de ‘Miss Livet’, van onze Poolse vrienden. Breed lachend en zwaaiend staan ze aan dek: “Hellooo! Anjaaaa!”. Zij varen richting sluis, wij knopen aan om te betalen bij de blauwe machine. Als dat gebeurd is schalt er een stem uit de luidspreker naast de machine: “Achtung!” brult hij, “als je snel bent, kun je nog gauw de zuidersluis invaren voordat we gaan schutten!”. “Einverstanden!” brul ik terug, en we zetten koers richting sluiskom.

Miss & Lady

We leggen aan achter Miss Livet. Het schip ligt nog niet vast of er staan drie Polen op de vlonders om assistentie te verlenen. De schipper grist me de lijnen uit handen om ons schip op de juiste manier vast te leggen. Trouwens, die stootwillen van ons hangen te hoog, want ze hebben veel te korte lijntjes, en de rolfok moeten we een extra wikkeling geven, zodat hij beter kan oprollen. Gauw informeert Jelle naar hun plannen. Ze vertellen dat ze direct na de sluizen zullen doorvaren richting Oostzee. “Anne, ben jij ook zo toe aan een pauze?”, vraag Jelle. Opeens voel ik me inderdaad erg moe.

In de sluis bij Holtenau

Als de sluis opengaat nemen we opnieuw afscheid van de Polen en koersen naar het eerste het beste haventje. Het is tijd voor een korte pauze om de benen te strekken en nieuwe plannen te beramen. We leggen aan in de jachthaven van Heikendorf en maken al overleggend een korte wandeling door het lommerrijke plaatsje. We willen graag naar Bornholm varen, een Deens eiland dat een stukje onder Zweden ligt. Het is een flink eind naar het oosten; zo’n 180 zeemijl. Dat is een tocht van zo’n 36 uur, onder goede omstandigheden. Het weerbericht vertelt ons dat het uit het westen blijf waaien tot dinsdag; dan passeert er een lagedrukgebied en krijgen we oostenwind. Als we dus naar Bornholm willen, moeten we óf nu vertrekken, óf wachten tot de wind daarna weer westelijk wordt. De voorspelde windkracht is 4 à 5 Bft: stevig, maar niet problematisch, denken we. Omdat de tocht door het kanaal niet erg vermoeiend was, besluiten we het maar te avonturen: we maken de boot aan kant en vertrekken richting Bornholm, 36 uur varen van hier. Als het lukt komen we dinsdagmorgen aan, net vóórdat de wind draait naar het oosten. Lukt het niet om genoeg vaart te maken, of zijn we te moe, dan kunnen we besluiten om bij Gedser (65 mijl) te stoppen. Tegen de tijd dat we daar zijn is de nacht allang voorbij en kunnen we probleemloos de haven invaren. Het is een flinke tocht, maar die uitdaging gaan we graag aan: in de toekomst willen we nog wel langere tochten gaan ondernemen. We vertrekken rond half 11, terwijl het laatste licht van de zon achter de einder verdwijnt.

 

Geef een reactie