Maandag 9 juli (‘s nachts)

Aan de grond!

Wanneer we de haven van Heikendorf uitvaren is het even zoeken: deze uitloper van de zee is druk bevaren en dus ook druk verlicht. Met behulp van de kaart is even later de betonde vaargeul gevonden en kunnen we gerust de tonnetjes volgen. Lang duurt die rust echter niet: vanuit de richting Kiel komt een enorm schip ons achterop lopen. Hij toetert ons aan de kant: blijkbaar is het niet de bedoeling dat wij hier met ons piepkleine notendopje binnen de betonning varen. We gaan dus aan de kant en varen net aan stuurboord van de betonning verder. De wind staat nog steeds uit het noordwesten, dus het zeil kan bij. Als de zeilen staan stel ik Arie in om het roer over te nemen. Maar als ik daarmee klaar ben zie ik dat we te ver naar stuurboord zijn uitgeweken, en niet meer de buitenkant van de betonning volgen. Een blik op de kaart leert dat het hier aan stuurboord erg ondiep is. Ik koers dus gauw meer naar bakboord, maar… het is al te laat: de dieptemeter daalt naar 0.8, 0.6, 0.4,… Sturen heeft geen zin meer, we liggen vast met onze kiel in het zand. In het late avondlicht kan ik nog net de bodem van de zee zien door het heldere water.

We proberen alles om weer los te komen: de zeilen flink aansjorren om helling te maken werkte de vorige keer erg goed. Maar nu staat de wind zó dat die ons steeds verder de ondiepte op blaast, ook als we het schip onder helling brengen. De motor bijzetten heeft ook geen zin: we wegen 10 ton en hebben een kiel over de hele lengte van het schip, dus levert die nooit genoeg vermogen om weer los te komen. Voor- of achteruit: we liggen vast, en dat blijft zo. Zelfs als er een containerschip langsvaart dat flinke hekgolven trekt is dat niet voldoende om ons van de ondiepte af te helpen. Wat nu? We strijken de zeilen en overleggen: op de AIS is er geen enkel schip in de buurt te zien. We kunnen alle schepen oproepen via de marifoon, maar die oplossing lijkt ons nogal drastisch. Het lijkt ons dat er niets anders op zit dan de reddingsdienst te bellen, al gaat dat ons waarschijnlijk een lieve duit kosten. Ik ben net door de vaarwijzer aan het bladeren voor het juiste kanaal, of er komt een klein vissersschip langsvaren. Snel grijpen we de scheepshoorn en een schijnwerper, om zijn aandacht te trekken. Maar hij vaart onverstoorbaar door. “Lul!” roept Jelle hem na, met zijn vuist omhoog.

De SAR komt ons redden

Nog één keer proberen we het schip met de motor aan en de zeilen omhoog van de grond te trekken, door samen aan de zijstag te hangen. Het lijkt een onnozel plan, en dat is het ook: de Vrijstaat beweegt geen centimeter. Gelukkig verschijnt op dat moment een motorbootje uit de nacht, met een schijnwerper die al gauw op onze achtersteven gericht staat. Het is de SAR, die ons met hun kleine sleepboot uit de prut komt trekken. Een visser die langs ons was gevaren had hen gewaarschuwd. Dus tóch geen lul… Van schrik en opwinding spreekt plots geen van ons meer een woord Duits, al versta ik het “Holländer…. sprechen ja gar kein Deutsch” opeens weer wel. De mannen verzoeken ons de zeilen weer te strijken en de sleeptrossen aan beide kanten van onze boeg te bevestigen. Dan gaat hun motor aan, en wordt ons schip met een zachte schok vrijgetrokken van de bodem. Geen zorgen over schade: de zware kiel is volgestort met cement en is één met de boot, dus daar kan niets aan kapot. Ook de motor doet nog precies wat hij moet doen. We tekenen een verklaring dat we eventuele schade niet op de SAR zullen verhalen, en vragen wat dat eigenlijk kost, zo’n reddingsactie. “Och,” zeggen ze, “normaal een euro of 100, maar omdat jullie buitenlanders zijn is het voor jullie gratis.” We krijgen een infopakketje mee met handreikingen voor veilig varen, en de mannen krijgen van ons een chocoladereep mee als bedankje. De stroopwafels die ik voor dit soort momenten had gekocht zijn helaas al op. Ze vragen naar welke haven we gaan, en kijken vreemd op als we antwoorden “Bornholm”. Maar ze wensen ons een goede vaart en verdwijnen in de richting van Kiel.

De SAR komt ons redden!
De zee op

Wij varen even verder op de motor, todat we definitief uit de buurt van de ondieptes zijn. Ik vraag wat we doen na dit spannende avontuur: doorvaren? Stoppen om uit te rusten? Maar we zijn het eens dat dit voorval ons eerdere plan niet in de weg hoeft te zitten, nu we vlot getrokken zijn. Dus vervolgen we onze koers, zetten opnieuw zeil en varen de nacht in met een lange tocht voor de boeg.

Als het schip eenmaal vaart zoals ze zou moeten valt de spanning van me af en nestel ik me op een kussen op de kuipbank. Maar Jelle heeft een wilde blik in zijn ogen, en kijkt vertwijfeld naar de golven die ons omringen. “Ik heb het gevoel alsof we 600 knopen varen”, zegt hij. In werkelijkheid varen we een knoop of 6, zoals wel vaker. Maar ik begrijp wel wat hij bedoelt: er staat een stevige zijwind en de golven zijn kort, maar hoog. Daardoor beweegt het schip veel meer dan op weg naar Cuxhaven, en voelt het weer veel ruiger aan. Rustig zitten is er dan ook niet bij: je moet je steeds schrap zetten om niet heen en weer geslingerd te worden. Jelle heeft bovendien bij onze pogingen om los te kopen een flinke klap op zijn hoofd gekregen door de helmstok. En omdat hij veel gevoeliger is voor zeeziekte dan ik, is het niet zo gek dat hij zich niet zo lekker voelt. We overleggen opnieuw: varen we door, of varen we terug? Het is inmiddels behoorlijk donker en een haven aanlopen is dan best spannend, maar doorvaren als de helft van de bemanning ziek is lijkt ook geen goed plan. Jelle stelt voor dat hij even gaat liggen, om tot rust te komen en zijn lichaam aan de schommelingen van het schip te laten wennen. Ik stem daarmee in, want ik voel me kiplekker en best in staat de eerste wacht voor mijn rekening te nemen. Jelle verdwijnt daarom in de kajuit, terwijl ik alleen aan het roer blijf, onder een prachtige sterrenhemel, terwijl de zonsondergang langzaam overgaat in een zonsopkomst.

Bijzondere betonning

Arie stuurt een perfect rechte lijn en ik tuur naar de kaarten om wijs te worden uit de lichten die ik zie. Aan bakboord zie ik witte knipperlichten, die het midden van de shipping lane aanwijzen. Die moet ik dus aan bakboord houden. Aan stuurboord zie ik gele knipperlichten, die de grens aangeven van een militair oefengebied. Die moet ik dus aan stuurboord houden. In de verte zie ik andere lichten, in verschillende kleuren, die ik langzaamaan steeds beter leer te herkennen als schepen die in de richting van Kiel varen, of lichtbakens aan land. Maar op een gegeven moment zie ik naast het gele knipperlicht waar ik steeds op af vaar een grote rode ton liggen. Die zag ik net nog niet. Het is een vreemd ding: een grote, rode bol, aan één kant beschenen door een grote schijnwerper. Normaal wordt een boei verlicht door een rood licht bovenop, dus deze manier van verlichten verbaast me. Ik knipper nog eens met mijn ogen: is het wel een ton? Is het niet de boeg van een groot vrachtschip? Ik wil niet de vergissing maken daar recht op af te sturen. Ik zie niets op de AIS, maar voor de zekerheid verleg ik de koers een beetje naar bakboord. “Waar kijk ik nou naar?”, vraag ik mezelf hardop af. En dan pas zie ik het: het is geen rode boei en ook geen containerschip, maar de maan die boven de horizon uit klimt. Een grote, rode bol, aan één kant beschenen door een grote schijnwerper.

Een grote rode bol…

Omdat mijn route langzaam van NO naar O afbuigt kan ik steeds op de maan af blijven sturen. Die heeft na een kwartier weer haar vertrouwde geel-oranje kleur, en is zo veel herkenbaarder. Er is niet veel scheepvaart, dus heb ik eigenlijk weinig te doen. Maar de wind wordt steeds krachtiger en de golven steeds hoger, waardoor het er aan dek steeds ruiger aan toe gaat. De golven komen schuin van achteren, waardoor ze eerst het achterschip naar stuurboord tillen en daarna het voorschip. Daardoor slingert het schip continu heen en weer, waardoor Jelle nog steeds erg zeeziek is. Ondanks de paar uur rust is zijn hoofd nog steeds helemaal overstuur, en hij is niet in staat een wacht over te nemen. Ik heb gelukkig nergens last van en geniet van het zeilen, dus vind ik het niet erg om een lange wacht op me te nemen.

Een hobbelpaard op hol

Maar als het schip meer dan 7 knopen begint te lopen en de wind werkelijk langs het zeil giert wordt het me wat al te gortig: het grootzeil moet gereefd, of zelfs helemaal naar beneden. Dat laatste is misschien wel de beste optie, want de komende uren komen we op opener zee, waar ik nog meer wind en nog meer golven verwacht. En hoewel het maximaal 5 Bft kan zijn volgens de voorspellingen, neem ik liever het zekere voor het onzeker, zodat de boot in elk geval bestuurbaar blijft. Maar het grootzeil strijken kan ik niet in mijn eentje: het schip moet met de neus in de wind gehouden worden, terwijl iemand aan dek de zeilen naar beneden haalt. Dus maak ik met tegenzin Jelle wakker en instrueer hem dat hij maar één ding hoeft te doen: het schip op de motor op koers houden, recht tegen de wind in, recht op de golven. Ik doe de rest.

Ik haak mijn lifeline aan de vaste lijn die we inmiddels midscheeps hebben bevestigd. Die lijn zorgt ervoor dat ik onmogelijk over boord kan slaan. Jelle draait het schip met de neus op de golven, ik zet de valstopper open, trek de giek naar binnen en ga op mijn knieen het dek op om het zeil naar beneden te trekken. Om mijn kop klappert en slingert alles, en onder mij gaat het schip wild op en neer op de golven, als een op hol geslagen hobbelpaard. Het lukt me om het zeil een stukje naar beneden te halen, maar daarna zit het vast: de val is in een kluwen vast komen te zitten voor de valstopper. Jelle kan er niet bij, want die moet roer houden. Ik laat me op mijn buik vallen op het kajuitdak, zodat ik niet meer om kan vallen, en trek vanuit die positie de val weer los. Dan weer naar voren op het wild slingerende dek. De boeg van het schip wordt overspoeld door golven en is door de wind gedraaid, zodat de fok aan stuurboord wind vangt. “STUURBOORD!” brul en gebaar ik naar Jelle. Als het schip weer in de wind ligt kan ik met al mijn kracht het zeil naar beneden sjorren en vastbinden op de giek. De klus is geklaard, maar de adrenaline giert door mijn aderen: dit is misschien wel het spannendste dat ik ooit gedaan heb. Jelle vond het misschien nog wel spannender: die voelde zich al ziek en ellendig, en heeft nu net staan kijken hoe ik heen en weer geslingerd werd op het voordek. Hij was echt bang dat mij iets zou overkomen, en heeft de tranen in zijn ogen staan. Zijn grens is door deze capriolen bereikt. We leggen het schip op koers, geven elkaar een lange knuffel en besluiten dat het mooi geweest is zo: we zoeken de dichtsbijzijnde haven en zien wel verder als we tot rust gekomen zijn.

Directe route naar Denemarken

Als Jelle weer in bed ligt speur ik de kaarten af naar havens in de buurt. Maar we zitten nu juist aan alle kanten ver van de havens af. We zijn net voorbij Bagenkop en varen richting Lolland. Bagenkop-haven is het dichtst bij: zo’n 11 mijl. Maar het blijkt net niet bezeild, dus ik zou op moeten kruisen om er te komen. Het alternatief is Rødbyhavn, op Lolland in Denemarken. Dat is 20 mijl varen, dus het duurt nog 4 uur voor we daar zijn. Dat is lang, maar er is geen andere optie. Dus verleg ik de koers in noordelijke richting, steek de shipping lane over en zie hoe langzaam de dag aanbreekt.

Ochtendgloren

De omstandigheden blijven hetzelfde: flinke wind, flinke golven, niet echt een aangename tocht. Gelukkig is er weinig scheepvaart, zodat ik nooit hoef uit te wijken. Maar ik ben inmiddels wel echt moe, en heb moeite om niet weg te dommelen. Dus ga ik in de kuip staan, over het kajuitdak geleund, en zing ik luidkeels alle zeemansliederen die ik ken, om wakker te blijven. Ook stel ik wel drie keer de zeilen, zodat ik in beweging blijf. Het schip blijft onrustig slingeren en ik kijk met verbazing naar de vreemde golfpatronen die de boot omringen. Onwillekeurig neurie ik Drs. P.’s ‘Dodenrit’:
“We zijn op weg naar Rødby, maar de weg daarheen is lang
En daarom vullen wij de tijd met feestelijk gezang
Intussen gaat zich iets bewegen in de achtergrond:
Iets donkers en iets talrijks en het lijkt me ongezond.”
Als we er bijna zijn wordt Jelle wakker. Hij biedt aan de wacht over te nemen; ik heb ten slotte alles tot nu toe zelf gevaren. Maar als ik hem slap als een vaatdoek op de kajuitbank zie hangen weet ik dat dat geen goed plan is: ik heb de havenaanloop net bestudeerd, ik ben gewend aan de bewegingen in de kuip, ik ben weliswaar doodsmoe, maar wel in staat door te gaan. Dus blijft Jelle in bed en ik aan dek. Maar goed ook, want als ik inzoom op openCPN zie ik dat ik naar de verkeerde haven heb gestuurd. Rødby ligt een mijl of 5 oostelijker, en de haven waar ik nu op afstuur is verzand en alleen aan te lopen als je de weg goed kent.

Denemarken in zicht!

Balend van mijn eigen fout verleg ik opnieuw de koers naar stuurboord. Het is nog een uurtje varen naar Rødbyhavn, dat van verre te herkennen is door de silo’s en de veerboten die af en aan varen. We varen nu met de wind en golven recht van achter, en dat is zo mogelijk een nog ellendiger koers. De fok gaat in, want die klappert me op deze koers te veel. Ook op alleen de bezaan lopen we nog ruim 5 knopen. Als we bij de havenaanloop zijn roep ik Jelle, zodat hij kan sturen terwijl ik ook de bezaan strijk. Recht vooruit is een vrije box, waar we het schip in manouvreren. Omdat we allebei doodmoe zijn is het een heel gestuntel, maar met hulp van een stel vriendelijke Duitsers lukt het om de Vrijstaat voor het eerst in Denemarken aan te meren.

Huilend van uitputting en opluchting dat het gelukt is kruip ik onder de wol. Jelle voert me wafels met chocopasta en een groot glas limonade. “Je bent mijn eigen stoere zeeheld” zegt hij, terwijl hij me over mijn hoofd aait.

Reacties

De maan. Ooit heb ik hetzelfde meegemaakt op de Middellandse Zee. Als ik het aan anderen vertel, voel ik me zot… en kijken anderen mij meewarig aan. Erg fijn te lezen dat anderen eenzelfde ervaring hebben gehad!

Geef een reactie