Vrijdag 20 juli

We staan vroeg op, zodat we vandaag zo ver mogelijk kunnen varen, onder het mom van ‘grote stappen, snel thuis’. De wind is ongewijzigd en Jelle stelt voor het eerste stuk in de wind te motoren, totaan het Sjaellands rif. Hoewel ik er tegenop zie, geef ik toe: als we moeten opkruisen gaat het lang duren voor we bij het rif zijn, en komt er niets van die ‘grote stappen’. Dus gaat de motor aan en zetten we koers naar het Noordwesten.
Het Sjaellands rif steekt vanaf een uitloper van het grote eiland Sjaelland een heel eind uit in zee. Gelukkig zit er halverwege ergens een doorgang waar het wat dieper is. Met onze boordcomputer is het niet zo moeilijk om naar de doorgang te sturen. Inmiddels weten we dat tonnen vanaf ongeveer 3 zeemijl zichtbaar worden, dus beginnen we tegen die tijd te speuren. Ruim op tijd krijgen we ze in beeld, en probleemloos stuur ik over het rif. Ook nu is weer de beloning groot als we het zeil kunnen hijsen: na het rif kunnen we onze koers verleggen naar het zuidwesten, dus kan de motor voorlopig uit.

Motorpech

We sturen recht op het eiland Sejerby af, dat een stukje ten zuidwesten van het rif ligt. We varen zo scherp als we kunnen, maar het lukt ons niet om boven Sejerby (dus ten westen) langs te varen. Dus gaan we overstag om een rak op te kruisen. Maar het zeil staat nog maar net aan de andere kant of de wind ruimt wel twintig graden, om vervolgens weg te vallen. Er zit dus niets anders op dan de zeilen maar weer te strijken en de motor bij te zetten. Zo tuffen we rustig langs de westkant van Sejerby, richting de vuurtoren van Rosnaes. Het is het begin van de middag, dus hopen we dat de wind straks weer wat oppikt. Maar in plaats daarvan begint opeens de motor te haperen, om even later helemaal stil te vallen. Aan gebrek aan diesel ligt het deze keer niet: die hebben we juist net bijgevuld. Dus daar drijven we dan: zonder wind, zonder motor, weliswaar in een rustig gebied zonder veel andere scheepvaart, maar toch: dit kon er ook nog wel bij. Er zit niets anders op dan de mouwen op te stropen en aan de slag te gaan. Ik haal de gereedschapskist tevoorschijn, snor een kistje met reserveonderdelen op en pak het onderhoudsboekje voor de motor. Jelle kruipt intussen in het motorruim. Misschien is het maar goed dat het niet waait, anders was klussen niet echt een optie geweest… We lopen alle mogelijke oorzaken bij langs: we sluiten de stuurboordtank af, die vroeger vervuild is geweest met dieselbacterie. We tappen water uit de waterafscheider en ontluchten het systeem. Drie keer. Geen sjoeche. In Cuxhaven hebben we gelukkig een stuk gereedschap gekocht om de brandstoffilter los te kunnen draaien, en we hebben nog een reserve. Dus vervangen we de brandstoffilter en de filter in de brandstofopvoerpomp. Allebei kraakhelder, maar je moet wat! Nogmaals ontluchten. Geen sjoeche. We overleggen wat ons nu te doen staat: kan er een verstopping in de leiding zitten? Heeft de bruine drab die uit de waterafscheider van de stuurboordtank loopt er iets mee te maken? Vertwijfeld probeer ik nog maar eens te starten. En warempel, hij slaat aan! Juichend van opluchting vallen we elkaar om de hals. Geen idee wat nu het probleem was, maar Victor is genezen. “Nu nog een dokter die door op goed geluk wat onderdelen te vervangen mijn moeder kan genezen”, zegt Jelle met een bedenkelijk gezicht.

De eerste Bruinvis

Na dit avontuur besluit ik voor ons wat te eten te maken. Ik sta nog maar net in de kombuis of Jelle roept me: “Anne! Er zwemt iets heel groots naast de boot! Een bruinvis denk ik!” In minder dan twee tellen sta ik naast hem in de kuip. En inderdaad: daar zwemt door het gladde water een grote bolle vis: “Pfffffffffft!” hoor je, precies als in de natuurfilm. Haar vin glijdt door het water en ze verdwijnt weer. “Jaaaaaaa een bruinvis!!” roep ik, opgewondend op en neer springend als een kind van 3. Ik kan het niet helpen, ik heb de hele reis al zitten hopen dat we er één zouden zien. Ze zwemt een stukje met ons mee: misschien ziet onze vrijstaat er van onderen ook wel een beetje als een bruinvis uit.

Mijmerend over bruinvissen

Het is een rare, emotionele dag met pieken en dalen. Dus besluiten we na deze ontmoeting dat we een rustig plekje voor de nacht zoeken om uit te rusten. De haven van Kalundborg is het dichtst bij, maar daarvoor moeten we een heel eind de baai in (en daarna weer uit). De voorspelde wind blijft Noordwest/west, maximaal windkracht 4. Aan de zuidkant van de baai staat weliswaar een ankerplek op de kaart, maar die lijkt ons met deze wind niet erg beschut. Dus besluiten we zelf een ankerplek te zoeken onder de landengte bij Ulstrup. Rond negenen gooien we het anker uit vlakbij de zwemplek van Ulstrup. Het is een idyllisch plekje: een groepje jongens maakt bommetjes vanaf de steiger, en een ouder echtpaar zit op een kleedje in het gras over zee uit te kijken en een paar kinderen proberen krabbetjes te vangen met een zelfgemaakte hengel. Het is een prima décor voor een rustige avond na een vermoeiende dag.

Zaterdag 21 juli

Vandaag staat er weer een windstilte op het programma. We overleggen: gaan we dan maar verder op de motor? We bellen met Jelle’s moeder voor overleg, en informeren ook bij Jelle’s tantes hoe het thuis lijkt. Alledrie zeggen ze hetzelfde: kom maar op je gemak hierheen, geen haast, we moeten afwachten. Omdat we allebei moe zijn en wel toe aan een dag rust, besluiten we om hier vandaag met de boot te blijven liggen. We ontbijten rustig, nemen een verfrissende duik (beurtelings; de ander heeft kwallenwacht), pompen de bijboot op, lunchen rustig en roeien naar de kant. Het is een mooi gezicht om de Vrijstaat hier als enige schip in de baai te zien liggen.

Ankerplaats bij Ulstrup

Op ons gemak maken we een wandeling in de omgeving. Het is ons iets te ver naar de vuurtoren (8 km), want het is weer zinderend heet. Dus dwalen we wat over de onverharde paden, tussen de tarwevelden en dennebomen, met op de achtergrond steeds de zee. Het landschap is hier werkelijk beeldschoon, en om de haverklap vinden we rijp fruit dat klaar is om te plukken, en waar duidelijk niemand aandacht aan besteedt: bramen, bessen, pruimen… We hoeven onze hand maar uit te steken of we hebben wat te eten. “Zijn we misschien overvaren door een olietanker? Want volgens mij is dit het paradijs!” grapt Jelle. Als we uitgewandeld zijn roeien we weer terug naar de boot. Deze rustdag heeft ons allebei goed gedaan. En hoewel er voor morgen opnieuw een windstilte voorspeld wordt, besluiten we toch maar rustig door te varen.

Zondag 22 juli

Op naar Omø

Om wakker te worden zwemmen we een rondje om de boot. De zee is nog altijd spiegelglad, maar we moeten wat… dus gaan we ankerop en motoren richting het zuiden. De voorspellingen laten weinig ruimte voor illusies: het wordt windkracht 0, de hele dag. Gelukkig komt halverwege de saaie tocht naar het zuiden een hele familie bruinvissen ons gedag zeggen. Één van hen blijft een tiental meters naast de boot even drijven, alsof ze nieuwsgierig is naar onze Vrijstaat. Even later varen we onder de grote brug door die Sjaelland verbindt met het vaste land. We houden de bestemming voor vandaag op het eiland Omo: dat is niet al te ver, zodat het geen erg lange dag motoren wordt. Toch is de haven wanneer wij binnenlopen propvol: zelfs de plekken aan de kade voor vissers is helemaal bezet. Toch vinden we een plekje, langszij gestapeld aan een blinkende
witte Beneteau. De eigenaar staat met een zorgelijke frons op zijn dek om onze lijnen aan te nemen: hij zal wel bang zijn dat we een deuk in zijn boot varen. Maar het aanmeren gaat gesmeerd, en soepel als een bruinvis leggen we de Vrijstaat beheerst op haar plek. “Geen zorgen, we zijn morgen
vroeg weer weg!” zegt Jelle lachend tegen de buurman. “Hoe laat precies? Dan zet ik de wekker!”
‘s Avonds maken we een lange wandeling over het eiland. Ook hier is het weer beeldschoon, zo mooi zelfs dat ons gesprek regelmatig stilvalt omdat we opnieuw een prachtig uitzicht hebben over velden, bos en vuurtoren. We mijmeren hoe prachtig het moet zijn om hier te wonen, in een oud
vakwerkhuisje met dat uitzicht en de zee aan je voeten… Maar we helpen onszelf al gauw uit de droom: Alleen in de zomer, en niet langer dan een paar jaar. Daarna verveel je je op zo’n eiland vast dood, en een huis heeft geen zeilen en geen anker… We prijzen onszelf gelukkig met ons varend
huis.

Maandag 23 juli

Vroeg op voor een lange dag. De buurman helpt ons met de lijnen en springt als een leeuw naar voren als we vlak langs zijn spiegel draaien. Maar de enige sporen die we nalaten (en die hij niet kan zien) is een bruin-grijze stempel van onze vieze stootwillen op zijn gladgepoetste romp. Sorry
buurman! Zo hebben we onderweg weer een klusje: wat werkt het best als stootwilreiniger?
We doen ons best om vandaag naar Kiel te varen en dat begint voorspoedig: we hebben de wind uithet noordwesten, en Kiel is daarmee precies bezeild. Met windkracht 4 hoeven we niet aan reven te denken, en door de windrichting hebben we bovendien stroom mee. Dus blazen we tegen de middag met 7 knopen langs Langeland. Het valt ons op dat er maar weinig andere zeilers zijn: die lijken zich allemaal op te houden in de kustgebieden. Niet dat wij nou zo ver op open zee zijn, maar het
lijkt er wel op dat de meeste zeilers korte dagtochtjes langs de kust doen. Lekker scharrelen, dat is natuurlijk ook heerlijk. Wij wilden deze maand flink mijlen maken, om ons schip goed te leren kennen en veel bij te leren. Een volgende keer lijkt me dat scharrelen ook best lekker.
Wanneer we Langeland voorbij zijn lijkt de wind iets te krimpen naar het westen. We varen daarom een aandewindsekoers. Omdat de wind even later ook begint af te zwakken, lukt het niet meer om recht naar Kiel te sturen. Niet veel later drijven we -alweer- in een gladde zee met windkracht nul.
Jelle staat op wacht en besluit niet langer te wachten op wind, want dan zouden we ‘s nachts pas Kiel binnen kunnen lopen. Wij hebben de ondieptes en de vrachtschepen bij nacht nog vers op ons netvlies staan, en hebben niet zo’n zin in wéér een zenuwslopend avontuur. Dus gaat de motor aan, strijken we de zeilen en tuffen gestaag richting Kiel.
Het is een uur of 8 als we aankomen bij de sluizen. We bellen met de sluismeester: wordt er nog geschut? Maar hij verzekert ons dat we niet meer op tijd een veilige haven in het kanaal zouden kunnen bereiken, dus dat de eerstvolgende schutting voor pleziervaart pas morgenochtend is. Dus
prutsen we de Vrijstaat in een plekje aan de wachtsteigers, waar een groepje jongeren zit te vissen.
We zijn weer terug in Duitsland, dus trakteren we onszelf op een groot glas verkoelende Weissen. Dat hakt er in na zo’n lange dag in de zon, maar onze boot ligt op kruipafstand, dus dat geeft niks.

Geef een reactie