Dinsdag 24 juli

’s Ochtends starten we rustig op; vandaag staat er niets anders op het programma dan door het kanaal tuffen op de motor. Zeilen is op het kanaal alleen toegestaan met de motor bij, maar er is weer weinig wind voorspeld, die bovendien uit het westen waait. Daar hebben we dus niets aan.

We wurmen ons uit het kleine haventje en roepen de sluiswachter om. Jelle is amper uitgesproken als ons uit de marifoon wordt toegeblaft: “Wait in the waiting area for pleasure crafts until two occulting white lights appear above the lock doors! Over and out!”. Maar we krijgen begrip voor het verveelde ongeduld van de man als na ons elke vijf minuten weer een ander jacht de sluis oproept met precies dezelfde vraag: “Hello, here sail yacht Zonnewende, over how long opens the lock?”, “Outside or inside?” “Henk, outside or…” en dan een andere stem: “Outside!”. “Wait in the waiting area for pleasure crafts until two occulting white lights appear above the lock doors! Over and out!”.

Gelukkig hoeven we niet lang te wachten en kunnen we vlot de sluis in varen. Samen met vijf andere jachten wachten we met de lijnen in de hand tot de schutting klaar is. Het is een grote sluis, dus het kan wel even duren. Om af te zijn van het gepruttel draai ik de motor uit. Even later gaan de deuren open. Jelle gooit los, ik draai de sleutel in het contactslot naar rechts, maar…. Niet meer dan een zacht kuchje! Dit is wel een erg ongelukkig moment voor motorpech. Om ons heen varen de andere jachten de sluis uit. Wij roepen de sluiswachter op, om uit te leggen waarom wij –terwijl we vooraan liggen- niet bewegen. Direct galmt uit de luidspreker: “Can anyone give the black yacht a tow? Engine trouble…”. Gelukkig reageert het laatste jacht dat achter ons ligt onmiddellijk door de marifoon: “No problem, we’ll tow them out”. We gooien ze een lange lijn toe en even later worden we de sluis uitgesleept. Ze slepen ons naar de wachtsteiger aan de andere kant, waar we aanleggen, bedanken en het motorruim openen. Daar gaan we weer… Maar voor we een vinger uit kunnen steken springt de vriendelijke Duitse sleper energiek bij ons aan boord: “Wat is het probleem? Probeer nog eens te starten?” Op het geluid dat uit het motorruim komt reageert hij onmiddellijk: “Kapotte accu. Kun je verbinding maken met jullie serviceaccu?” Inderdaad hebben we bij het motorruim een schakelaar zitten om onze startaccu ‘in noodgevallen’ aan de serviceaccu te koppelen. Ik zet de schakelaar om en probeer het opnieuw. Bingo! We bedanken onze redder in nood dubbel, sluiten het motorruim en gaan op weg.

Bakken op het Kielerkanaal

Het is een vreselijk hete dag vandaag: minstens dertig graden, volle zon en vrijwel geen wind. We drinken ons een ongeluk, maar dat helpt veel te weinig: we willen ijs, zo gauw en zo veel mogelijk. Omdat we bovendien aan het eind van onze dieselvoorraad dreigen te raken (dat krijg je van varen in windstiltes), en we een voorraadje Duitse nep-amaretto van de Lidl willen inslaan, besluiten we een pitstop te maken in Rendsburg. Op het heetst van de dag varen we daarom een korte vertakking van het kanaal op, waar we in een kleine jachthaven aan de rand van de stad vastleggen, op loopafstand van de Lidl. In theorie is dat een minuut of 10 lopen, maar vluchtend van schaduw naar schaduw duurt het wat langer. De hitte is tussen de bebouwing eigenlijk nog erger en trekt alle energie uit ons. Als we terugkomen bij de boot nemen we een verkoelende duik in het water en bespreken we het verdere plan. Het is een heel gepuzzel om de tocht naar Delfzijl te plannen, want het meest geschikte weerraam om uit Cuxhaven weg te varen is op donderdagmiddag, maar dan zit het getij ons juist tegen. Bovendien hebben we om vanuit Brunsbuttel in Cuxhaven te komen ook liever het tij mee, maar dat kan alleen midden in de nacht (onplezierig), óf midden op de dag (zonde van de vertrektijd). Uiteindelijk besluiten we dat we dan maar beter morgenochtend kunnen uitvaren, rechtstreeks vanuit Brunsbuttel, en vóór Hoog water. Als we rond 8 uur uit Brunsbuttel wegvaren kunnen we rond HW Cuxhaven in Cuxhaven zijn. We hebben dan weliswaar stroom tegen op het eerste stuk van de Elbe, maar na de kentering (1,5 uur na HW) krijgen we 5 uur lang stroom mee. Hopelijk zijn we dan de Elbe al uit. De wind is dan Noord-noordoost, ruimend naar Noordoost. Met een beetje geluk is het laatste stukje Elbe dus bezeild.

De bruggen zijn hoog genoeg voor de Vrijstaat

Nu we dit besloten hebben gaan we weer op pad. Maar als we op de klok kijken, blijkt het opeens al bijna 5 uur te zijn. Onze ‘pitstop’ heeft langer geduurd dan we dachten, en een snelle rekensom leert ons dat het waarschijnlijk niet zal lukken om op tijd in Brunsbuttel te zijn: we mogen tot half 11 op het kanaal varen, daarna zijn we in overtreding. Rendsburg ligt nog niet halverwege, dus dat redden we (op een klein uur na) net niet. We besluiten dus op de laatst mogelijke rustplaats te overnachten en morgenochtend vroeg te vertrekken. Als de avond valt varen we de aangegeven ligplaats tegemoet. Geen steigers, alleen een aantal rijen grote meerpalen waar een paar jachten tussen liggen. Het is even prutsen om alle landvasten netjes om de palen te krijgen. Onze Duitse buurman en zijn kat kijken stoïcijns toe, maar ook zonder hun hulp lukt het uiteindelijk om ons schip aan vier kanten vast te leggen. Tijd voor een borrel, terwijl op de achtergrond de vrachtschepen af en aan door het kanaal varen.

Woensdag 25 juli

We starten vroeg, zodat we rond achten in Brunsbüttel kunnen zijn. Dat lukt prima, en ook nu kunnen we binnen de kortste keren de sluis invaren. Eenmaal door de sluis zetten we koers richting Cuxhaven. Nog altijd is er weinig wind, en vanaf het moment dat de zon is komen kijken is het opnieuw verschrikkelijk heet. Zonder wind en op de motor werkt de windvaansturing niet, dus moet er steeds één van ons in de kuip staan sturen. Tijdens mijn wacht hijs ik daarom een emmer zeewater in de bezaanmast, en trek ik zoveel mogelijk kleding uit. Wordt het me echt te warm, dan kieper ik de emmer over mijn hoofd heen voor de nodige verkoeling. We hebben nog een lange tocht voor de boeg; een zonnesteek kunnen we niet gebruiken.

Eindelijk weer zeilen!

Het is bijna hoog water als we langs Cuxhaven varen en de wind begint langzaam terug te komen, zoals voorspeld uit het noord-noordoosten. We motoren dus pal tegen de wind in, die langzaam steeds meer aanwakkert. We krijgen tegelijk langzaam de ebstroom mee, maar dat zorgt –behalve voor een duwtje de goede kant op- ook voor steeds ruwere golven. Maar het diepe vaarwater is hier smal, dus opkruisen is voor ons niet echt een optie. Dus ploeteren we op de motor een heel eind richting zee, net zolang tot onze route naar bakboord uitwijkt. We weten inmiddels wel ongeveer hoe scherp we kunnen varen ten opzichte van de wind, dus rekenen en tekenen we uit wanneer we bakboord uit kunnen om met een koers van 270 precies binnen de betonning te kunnen blijven. Als het ein-de-lijk zo ver is, waait het stevig: zeker windkracht 4. Deze keer zijn we verstandig en zetten uit voorzorg een rif in het zeil. Dat gaat wonderwel, en even later staat het zeil prachtig gereefd bij, met de fok een stukje ingerold. Dat blijkt een wijs besluit, want als de motor uit is en we de juiste koer te pakken hebben stuift de Vrijstaat er vandoor als een renpaard. Het water klotst ons door de gangboorden en we horen het schip flink op de golven beuken. Niet erg, we zijn inmiddels wel wat gewend en hoewel we meer helling maken dan ooit tevoren zijn we het erover eens dat alles onder controle is. Wel klappen we het zonnepaneel wat verder omhoog, omdat het anders in het water dreigt te steken.

Enkel rif

We zeilen nu precies de koers die we voor ogen hadden, soms zelfs nog een beetje scherper. Het is hier oppassen geblazen, want als we te ruim varen lopen we op een ondiepte (we weten van de vorige keer dat het hier buiten de betonning onmiddellijk ondiep wordt), maar als we te scherp varen komen we in het verkeersscheidingsstelsel en riskeren we een boete of –erger- een aanvaring met een vrachtschip. Nu we wat meer op open zee komen begint het schip door de stevige wind wat loefgierig te worden. We besluiten daarom toch maar een extra rif in het grootzeil te leggen. Toegegeven, het speelt mee dat een wat rustiger zeegang ook voor ons comfortabeler is. We proberen het deze keer zonder motor bij, want we willen niet steeds afhankelijk zijn van onze diesel. Jelle houdt dus het schip in de wind, terwijl ik vanuit de kuip het zeil een stukje laat zakken. Reeflijnen van het tweede rif flink aansjorren, zeil weer hijsen… Gelukt! Het valt me erg mee hoe makkelijk dat gaat en hoe goed het zeil ook dubbel gereefd erbij staat. We vervolgen onze koers, in een rechte lijn en zonder natte voeten.

Eenmaal buiten de Elbemonding is het eigenlijk een kwestie van wachten. We verleggen de koers iets naar het zuiden, rechtstreeks naar het einde van de uitloper van het Borkumrif. De zeilen laten we iets vieren, en dan begint het wachten. Toch hoeven we ons niet te vervelen, want op de marifoon wordt een ‘mayday relay’ omgeroepen vanwege een ‘kitesurfer in distress’. Niet in onze buurt; wij zijn op volle zee. Gelukkig duurt het niet lang of de drenkeling is veilig aan wal. Mooi om te volgen hoe verschillende kuststations en schepen efficiënt samenwerken om het noodgeval te lokaliseren.

Ankerplaatsconflict

De wind zwakt af en onze snelheid daalt tot beneden de drie knopen, dus ik haal eerst het ene, daarna ook het andere rif eruit. Zo sukkelen we verder richting het westen. Het loopt tegen de avond als we de Jademonding binnenvaren. Hier ligt een grote groep vrachtschepen voor anker. Ze zijn door hun forse omvang en felle kleuren natuurlijk makkelijk te zien, maar door de zwakke wind en de wat onduidelijke stroming blijkt het toch lastig om een handige koers er tussendoor te kiezen zonder al te veel te slalommen. Ik twijfel wat beter is: voorlangs? Achterlangs? Als één van hen besluit te gaan varen, loop ik aan de voorkant gevaar om overvaren te worden, maar aan de achterkant krijg ik te maken met de schroef. Ik hou maar gewoon afstand. Het laatste schip, een groot rood vrachtschip, passeer ik vlak voor de boeg, maar ik zie de ankerketting en het dagmerk duidelijk hangen. Toch vindt de stuurman het nodig om, als ik bijna passeer, een aantal keer flink te toeteren. Ik schrik me natuurlijk het apezuur, en kijk naar de marifoon. Die blijkt op kanaal 1 te staan, om onduidelijke redenen. Ik draai hem vlug naar kanaal 16 en hoor nog net: “Island lady, keep your distance!” voordat hij opnieuw oorverdovend toetert. Ik zet gauw de motor bij en maak dat ik wegkom: liever geen gehoorbeschadiging. Maar ik vraag me wel af wat hij dacht: dat ik hem niet gezien had? Of is er een regel met betrekking tot geankerde vrachtschepen die ik niet ken? Misschien is het vanaf de brug van zo’n joekel van een schip gewoon moeilijk om in te schatten hoe dichtbij een zeiljacht precies is, en leek het alsof ik door onoplettendheid een aanvaring zou veroorzaken. Maar hoe onoplettend moet je zijn om een vuurrood en verlicht vrachtschip van 300 meter over het hoofd te zien? Hoe dan ook: dit schip is voorlopig het laatste grote schip dat ik tegenkom, want de rest van de route blijft vrij van de shipping lane.

Grote jongens op de ankerplaats

Als de avond valt wordt via marifoon verslag gedaan van een onwel geworden passagier op een cruiseschip. We volgen hoe de reddingsdienst een helikopter inschakelt (“Do you have a helipad?”), die vervolgens naar Helgoland wordt gevlogen. Het maakt indruk: de communicatie tussen de betrokken partijen is ontzettend efficiënt, maar vriendelijk. Iedereen weet wat ze te doen staat, al duurt de hele operatie bij elkaar zeker een uur of twee. Hoe het afloopt met de patiënt blijft helaas onbekend…

Tijdens de nacht lopen we een wachtschema van 3 uur op, 3 uur af. Geen bijzonderheden, een rustige nacht. De wind is afgezwakt, dus hard gaan we niet. Maar we gaan vooruit, en langzaam passeren de Duitse wadden, nu in omgekeerde volgorde: Wangerooge, Spiekeroog, Langeoog, Baltrum, Norderney, Juist… en uitendelijk Borkum. De wind komt inmiddels van achteren, wat ons klapperende zeilen oplevert. Tijdens de hondenwacht (de zon is nog niet op) besluit ik om de fok uit te bomen. Gekleed in twee vesten en een jas (’s nachts op het water is het fris) ga ik aan dek. Het is een heel gedoe, zeker omdat ik geen hulp heb van Jelle. Nu weer blijft de schoot hangen, dan weer zit de boom ergens achter klem… Als het eindelijk gelukt is staat de zon nét boven de horizon en zweet ik als een otter. Het wordt opnieuw een hete dag…

Donderdag 26 juli

Afkoelen op Borkum

Als we het Borkumrif oversteken is het even voor hoog water. Hoewel we dus nog een staartje stroom mee hebben richting Borkum, hebben we stroom tegen zodra we bij het eiland zijn. De wind is nu nog verder gedraaid en komt uit het zuidwesten. Dus hebben we wind én stroom tegen. Opkruisen is hopeloos, want met het kleine zuchtje wind dat er staat maken we onvoldoende vaart. Dus gaat maar weer de motor aan. Dat werkt demoraliserend, maar uiteindelijk is het vooral de enorme hitte van de zon die ons doet besluiten toch een tussenstop te maken op Borkum. We willen ijs, en een frisse duik! Dus motoren we (met een slakkengang, want we moeten de stroom doodvaren) richting haven. We lopen korte wachten van een half uur: niet om te slapen, maar omdat de zon ons levend grilt. We hangen natte handdoeken over onze schouders en blijven onszelf natgooien met zeewater, maar we zijn allebei misselijk en draaierig van de hitte. Als we in het nauwe vaarwater voor de haveningang varen, komen er plots drie veerboten tegelijk achter de haven vandaan, waar de veerhaven is. Er is bijna geen ruimte om uit te wijken, want het is overal ondiep. Maar dat kan de kapitein van de snelveerboot geen snars interesseren: vol gas stuift hij vlak langs ons, terwijl Jelle probeert de boot op koers te houden in het turbulente water dat hij achterlaat. Het gaat gelukkig allemaal net goed, maar een warm welkom… niet bepaald.

We leggen onze boot vast aan een polyester jachtje van twee jonge jongens die naast hun boot in het water drijven. Zodra we de landvasten belegd hebben gaan ook onze kleren uit voor een verkoelende duik in het havenwater. De havenmeester kijkt lachend toe: in nood en in hitte is alles geoorloofd.
De rest van de dag staat in het teken van verkoeling. We drinken witbier op het haventerras, nemen het treintje naar het dorp en doen ons daar tegoed aan ijs, koele drankjes en schaduw. Net als iedereen hier overigens, want het is ongekend heet en je kunt het ongeloof van ieders gezicht lezen: het lijkt de Spaanse Costa’s wel! Als het ’s avonds wat koeler is nemen we de bus terug naar de haven. Morgen staat de wekker om half 6, want om de vloedstroom mee te hebben moeten we vroeg vertrekken.

Vrijdag 27 juli

We hebben niet zo’n beste nachtrust. Niet alleen is het warm en plakkerig, maar onze jonge buren blijven tot diep in de nacht opscheppen over hun eigen drankconsumptie in de plaatselijke discotheek. Jelle’s vriendelijke maar dringende hints worden niet echt opgepikt. Dus plakken we als het stil is een extra uurtje vast aan onze nachtrust.

Gelukkig is de wind weer terug, zij het nog steeds uit de verkeerde richting. Maar met stroom mee wordt opkruisen een eitje, dus maken we van deze laatste dag een zeildag. Toch lukt het niet om tot Delfzijl te blijven zeilen: halverwege de dag zakt opnieuw de wind in, en krijgen we stroom tegen. Toch te laat vertrokken! Maar goed, aan het eind van de middag varen we het havenkanaal van Delfzijl in. Smorend van de hitte, dus als zodra we vastliggen aan de wachtsteiger bij de sluis duiken we allebei in het water. De bemanning van het Duitse zeiljacht Luna, dat voor ons ligt, kijkt hoofdschuddend maar glimlachend toe. De sluiswachter roept om dat de Driebondsbrug er vandaag uit ligt. Gelukkig is dat voor ons geen probleem, maar de bemanning van het Duitse schip kijkt zorgelijk. “Weten jullie welke brug dat is?” Omdat de sluis opengaat, spreken we af om via de marifoon contact te hebben. Wij hebben de documentatie wel aan boord. We leggen ze via de radio uit dat Groningen niet bereikbaar is, en Appingedam helaas evenmin, want dat is voor hun schip te ondiep. En ook Delfzijl is, omdat brug 15 nu pauze heeft, niet direct bereikbaar. Sorry! Ze bedanken ons hartelijk voor de moeite en we wensen ze een goede vaart: Welkom in Nederland! We meren aan bij de wachtsteiger voor brug 15, sluiten af en lopen richting onze vaste cafétaria Doklanden. Tijd voor een eierbal en een milkshake. Welkom thuis…

Geef een reactie